Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/52918/GV, 19 februari 2026, beroep
Uitspraakdatum:19-02-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/52918/GV

Betreft [klager]

Datum 19 februari 2026

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

De – zo begrijpt de beroepscommissie – Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) heeft op 20 november 2025 klagers verzoeken om een reeks aan kortdurende re-integratieverloven (behoudens één kortdurend re-integratieverlof voor het vierde kwartaal van 2025) en incidentele verloven afgewezen.

Klagers raadsman, mr. M. de Reus, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.

 

2. De beoordeling

Klager is sinds 12 februari 2024 gedetineerd. Hij ondergaat een gevangenisstraf van vier jaar en acht maanden met aftrek, wegens overtreding van de Opiumwet en het medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving. De datum waarop klager (voorwaardelijk) in vrijheid wordt gesteld, is momenteel bepaald op 6 oktober 2026.

 

De regelgeving

In het eerste lid van artikel 19a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: de Regeling) staat dat kortdurend re-integratieverlof voor het onderhouden van een sociaal netwerk één keer per kwartaal van een lopend kalenderjaar wordt verleend. Het verlof begint en eindigt op dezelfde dag. In het vijfde lid van artikel 19a van de Regeling staat dat de directeur of selectiefunctionaris op grond van door de gedetineerde aangedragen zwaarwegende en uitzonderlijke redenen kan afwijken van het eerste lid.

In artikel 21 van de Regeling staat dat incidenteel verlof kan worden verleend voor het bijwonen van gebeurtenissen in de persoonlijke sfeer van de gedetineerde, waarbij zijn aanwezigheid noodzakelijk is. In het derde lid van artikel 21 van de Regeling staat dat incidenteel verlof niet wordt verleend indien de gedetineerde binnen een maand na de beoogde verlofdatum in aanmerking komt voor invrijheidstelling of re-integratieverlof en het beoogde bezoek in dat kader kan worden afgelegd.

 

De situatie

Klager heeft verzocht om verlof om zijn partner (en minderjarige kinderen) te kunnen ondersteunen. Uit de stukken blijkt dat klagers partner zeer ernstig ziek is. Medio 2024 is bij haar de diagnose acute leukemie gesteld en sindsdien heeft zij een ingrijpende behandeling ondergaan. Op 31 oktober 2025 is helaas gebleken dat de leukemie is teruggekeerd.

Klager heeft verzocht om drie kortdurende re-integratieverloven per maand voor de maanden oktober, november en december om zijn partner te ondersteunen bij afspraken en de zorg van hun kinderen. Vanuit de inrichting is op 6 oktober 2025 positief geadviseerd ten aanzien van dit verzoek.

Klager heeft daarnaast verzocht om een ‘incidenteel verlofplan’, omdat zijn partner na drie chemobehandelingen en een stamceltransplantatie sinds eind oktober thuis is en ondersteuning nodig heeft. Vanuit de inrichting is op 17 november 2025 eveneens positief geadviseerd ten aanzien van het verzoek om een incidenteel verlofplan voor de maanden november en december, ondanks dat de medisch adviseur bij de afdeling Individuele Medische Advisering (hierna: de medisch adviseur) negatief heeft geadviseerd. Vanuit de inrichting wordt aangegeven dat de medisch adviseur in het verleden altijd positieve adviezen heeft uitgebracht, omdat klagers aanwezigheid noodzakelijk werd geacht. Daarnaast zouden artsen aangeven dat er een reële kans is op overlijden. Verder is er vanuit de vrijhedencommissie wel aangegeven dat het een plan betreft voor de maanden november en december, omdat klager naar alle waarschijnlijkheid begin januari 2026 op een Beperkt Beveiligde Afdeling (BBA) geplaatst zal worden.

Uit de stukken blijkt dat klager sinds de eerste diagnose van zijn partner in totaal 39 incidentele verloven heeft genoten (naast twee strafonderbrekingen). De meest recente incidentele verloven dateren van 31 oktober 2025 (toen was klager aanwezig bij de bespreking van een belangrijke uitslag voor zijn partner) en van 10 november 2025 (toen was klager aanwezig bij de bespreking van het nieuwe behandelplan van zijn partner).

 

De bestreden beslissing

Verweerder heeft aan klager één kortdurend re-integratieverlof in het vierde kwartaal van 2025 toegekend, heeft positief geadviseerd voor een langdurend re-integratieverlof in het eerste kwartaal van 2026 (indien het kortdurend re-integratieverlof goed is verlopen) en heeft klagers verzoeken voor het overige afgewezen.

Op grond van artikel 21, derde lid, van de Regeling wordt incidenteel verlof niet verleend indien de gedetineerde binnen een maand na de beoogde verlofdatum in aanmerking komt voor re-integratieverlof en het beoogde bezoek in dat kader kan worden afgelegd. Volgens verweerder is dat in deze situatie het geval en staat dit in de weg aan de toewijzing van de verzochte incidentele verloven. Verder heeft de medisch adviseur op 11 november 2025 aangegeven incidenteel verlof op medische gronden niet langer geïndiceerd te achten. Ten aanzien van de verzochte re-integratieverloven geldt – mede om die reden – dat verweerder klagers verzoek op grond van de hardheidsclausule (artikel 19a, vijfde lid, van de Regeling) niet honoreert.

 

De overwegingen van de beroepscommissie

De beroepscommissie stelt voorop dat zij van oordeel is dat er geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 21, derde lid, van de Regeling. Incidenteel verlof is namelijk bedoeld voor gebeurtenissen in de persoonlijke sfeer die een zwaarwegende reden vormen voor het verlenen van verlof (Stcrt. 1998, 247), terwijl ‘re-integratieverlof voor het onderhouden van een sociaal netwerk’ een andere insteek heeft en in beginsel slechts één keer per kwartaal van een lopend kalenderjaar wordt verleend. Het voert naar het oordeel van de beroepscommissie te ver om daarom een beroep op de hardheidsclausule – zoals bedoeld in artikel 19a, vijfde lid, van de Regeling – te toetsen, terwijl er een andere vorm van verlof mogelijk is.

Ten aanzien van de afwijzing van klagers verzoek om een ‘incidenteel verlofplan’ is de beroepscommissie van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit verzoek is afgewezen. Zij overweegt daartoe als volgt.

De beroepscommissie begrijpt dat er sprake is van een schrijnende situatie. In beroep heeft klagers raadsman – meest recent – een brief van de internist hematoloog van klagers partner van 29 december 2025 overgelegd. In die brief staat dat klagers partner naar verwachting in januari 2026 een stamceltransplantatie zal ondergaan en dat zij na herstel zal worden ontslagen waarna een intensief poliklinisch vervolgtraject zal worden ingezet. Al met al gaat er volgens de internist hematoloog een zwaar en risicovol traject, met kans op complicaties, volgen waarbij het van belang is dat klager zijn partner steunt. Volgens de internist hematoloog is er sprake van medische noodzaak en wordt er in geval van ernstige complicaties van uitgegaan dat klager in het ziekenhuis aanwezig zal zijn. Het is voor de internist hematoloog niet goed te begrijpen dat keer op keer wordt verzocht om schriftelijke verklaringen om te verzoeken of klager bij belangrijke gesprekken en ingrepen aanwezig kan zijn. De internist hematoloog geeft aan diverse keren informatie verstrekt te hebben om het belang te benadrukken en het behandeltraject van klagers partner te schetsen.

Verweerder heeft naar aanleiding van voornoemde brief een nieuw advies bij de medisch adviseur opgevraagd. In dat advies – van 21 januari 2026 – staat dat er geen dringende medische redenen zijn waarom klager aanwezig zou moeten zijn bij afspraken, opnames of behandelingen. Wel acht de medisch adviseur incidenteel verlof ‘op reguliere termijnen’ geïndiceerd gedurende een jaar, omdat klagers partner niet in staat is zelf naar de inrichting te reizen.

Verweerder wijst erop dat klager sinds 9 januari 2026 in de BBA van de PI Dordrecht verblijft en dat gedetineerden die op de BBA verblijven recht hebben om tweeëneenhalf uur per week buiten de BBA op bezoek te gaan. Klager kan van deze uren gebruik maken om bij zijn partner op bezoek te gaan, aldus verweerder. Verweerder ziet daarom geen reden om op dit moment (alsnog) incidenteel verlof te verlenen zodat hij een omgekeerd bezoek kan brengen aan zijn partner. Daarbij wijst verweerder erop dat incidenteel verlof voor het afleggen van omgekeerd bezoek op grond van artikel 25 van de Regeling slechts één keer in de drie maanden kan plaatsvinden.

Hoewel de beroepscommissie begrijpt dat klager – nu hij inmiddels op de BBA verblijft – momenteel vaker in de gelegenheid is om een bezoek aan zijn partner te brengen, is het de beroepscommissie niet duidelijk geworden of klager ook in de gelegenheid wordt gesteld om bij afspraken en/of behandelingen in het ziekenhuis aanwezig te zijn of dat hem daartoe incidenteel verlof zou moeten worden verleend. Hoewel verweerder in beginsel op de juistheid van het advies van de medisch adviseur mag vertrouwen, is dit anders indien het advies onbegrijpelijk is. Het advies van de medisch adviseur van 21 januari 2026 is gebaseerd op voornoemde brief van de internist hematoloog en op ‘bespreking in het medisch adviseurs overleg’ van 19 januari 2026. De beroepscommissie acht het zonder nadere toelichting onbegrijpelijk waarom de brief van de internist hematoloog niet maakt dat incidenteel verlof op medische gronden is geïndiceerd, nu daarin letterlijk wordt benoemd dat er volgens de internist hematoloog sprake is van medische noodzaak.

Gelet op het voorgaande is de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd. De beroepscommissie zal het beroep daarom gegrond verklaren en de bestreden beslissing vernietigen. Zij zal verweerder opdragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen een termijn van twee weken na ontvangst daarvan. De beroepscommissie ziet geen aanleiding om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing. Zij draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen een termijn van twee weken na ontvangst daarvan. Zij kent klager geen tegemoetkoming toe.

 

Deze uitspraak is op 19 februari 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. G.C. Bos, voorzitter, mr. A.B. Baumgarten en F. van Dekken, leden, bijgestaan door mr. M. Olde Keizer, secretaris.

 

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven