Nummer 25/47261/GA
Betreft [klager]
Datum 11 maart 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft beklag ingesteld, omdat zijn verzoek om artikelplaatsing op 9 oktober 2024 is afgewezen en hij door de casemanager onvoldoende wordt geïnformeerd en geadviseerd over faseringsmogelijkheden.
De beklagcommissie bij de locatie Esserheem te Veenhuizen heeft op 13 maart 2025 het beklag ongegrond verklaard (Eh 2024-449). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.
Klagers raadsman, mr. V.S.J. Chorus, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en de directeur van de locatie Esserheem (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
2. De beoordeling
De beroepscommissie heeft het beroepschrift en de overige stukken in het dossier bestudeerd. Op basis van deze stukken is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie het beklag terecht ongegrond heeft verklaard.
Klagers advocaat meent dat de directeur het verzoek om artikelplaatsing in de zin van artikel 43, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) niet in behandeling heeft genomen, omdat de directeur verwijst naar artikel 15, vierde lid, van de Pbw.
Beide artikelen gaan om artikelplaatsing. Artikel 15, vierde lid, van de Pbw wordt toegepast ten behoeve van behandeling. Artikel 43, vierde lid, van de Pbw wordt toegepast ten behoeve van behandeling en resocialisatie in de laatste fase van de gevangenisstraf.
De beroepscommissie is van oordeel dat de directeur wel degelijk een beslissing heeft genomen op het verzoek. De directeur benoemt namelijk dat de casemanager aan het psycho‑medisch overleg (PMO) heeft gevraagd of klager mogelijk eerder dan de einddatum van zijn detentie (dus voordat het voorwaardelijke deel van zijn gevangenisstraf aanvangt) naar een kliniek zou kunnen. Het PMO heeft geoordeeld dat er geen noodzaak tot behandeling tijdens detentie is. Nu de directeur en het PMO hebben beoordeeld of klager ‘in de laatste fase van de gevangenisstraf’ zou moeten worden uitgeplaatst, is hiermee naar het oordeel van de beroepscommissie een beslissing genomen in de zin van artikel 43, vierde lid, van de Pbw. Dat de directeur heeft verwezen naar de lijn uit de (niet overgelegde) werkinstructie ‘Besluiten wel/niet uitplaatsen justitiabele op basis van artikel 15, vierde lid, van de Pbw’ maakt dat niet anders.
De beroepscommissie is van oordeel dat de directeur in redelijkheid tot een afwijzing van klagers verzoek heeft kunnen komen, omdat het PMO artikelplaatsing niet geïndiceerd acht. Er is onvoldoende gebleken waarom overbrenging naar een kliniek tijdens het onvoorwaardelijke deel van klagers detentie noodzakelijk zou zijn.
Dat de reden voor de afwijzing niet kenbaar is gemaakt en geen alternatieve faseringsmogelijkheden met klager zijn besproken, acht de beroepscommissie onvoldoende aannemelijk geworden. De directeur heeft namelijk aangevoerd dat de afwijzing van het verzoek met klager is besproken en aan hem is uitgelegd. Voor andere faseringsmogelijkheden komt klager niet in aanmerking. Van vertragend handelen van de casemanager is dan ook geen sprake. Van een schending van de artikelen 3, 5 of 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens of van artikel 10 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten is niet gebleken.
Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie met aanvulling van de gronden.
Deze uitspraak is op 11 maart 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. C. Fetter, voorzitter, mr. F.H.J. van Gaal en mr. F. Sieders, leden, bijgestaan door mr. A. Laagland, secretaris.
secretaris voorzitter