Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/52526/GV, 17 februari 2026, beroep
Uitspraakdatum:17-02-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/52526/GV

Betreft [klager]

Datum 17 februari 2026

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft op 4 november 2025 verzocht om aan hem eindverlof als bedoeld in artikel 33c van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: de Regeling) te verlenen.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) heeft op 4 november 2025 medegedeeld dat ‘om eindverlof niet kan worden verzocht’.

Klagers raadsman, mr. M.A.M. Karsten, heeft namens klager beroep ingesteld tegen de (fictieve) weigering van verweerder om een (inhoudelijke) beslissing te nemen op klagers verzoek.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.

 

2. De beoordeling

De regelgeving

Op grond van artikel 2 en artikel 3, eerste lid, van de Regeling neemt de directeur een verzoek om verlof in ontvangst en wint de directeur alle benodigde inlichtingen en adviezen in. Vervolgens beslist de directeur of de minister op dit verzoek conform het bepaalde in de artikelen 6 respectievelijk 7 van de Regeling.

In artikel 33c, eerste lid, van de Regeling staat dat een gedetineerde met een onherroepelijke gevangenisstraf, hechtenis of vervangende hechtenis van ten minste acht dagen en ten hoogste een jaar in aanmerking kan komen voor verlof aan het einde van zijn detentie in verband met een tekort aan plaatsen voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen in penitentiaire inrichtingen. In het elfde lid van dit artikel is bepaald dat de artikelen 2, 3, 4, 6, 7 en 9, tweede lid, niet van toepassing zijn op eindverlof.

Op grond van artikel 72, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft de gedetineerde het recht tegen een hem betreffende beslissing aangaande verlof, voor zover hiertegen geen beklag ingevolge artikel 60, eerste en tweede lid, openstaat, een met redenen omkleed beroepschrift in te dienen bij de beroepscommissie, als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Pbw. Die beslissing betreft veelal de afwijzing van een verzoek. Andere beslissingen van verweerder aangaande verlof waartegen beroep kan worden ingesteld, zijn bijvoorbeeld de (gedeeltelijke) intrekking, beperking en verplaatsing van een verlof of het verbinden van bijzondere voorwaarden aan een te verlenen verlof.

 

De overwegingen van de beroepscommissie

De beroepscommissie leidt uit voornoemde regelgeving af dat een verzoek om verlof moet worden voorgelegd aan de directeur en dat dit het beginpunt vormt voor de verdere behandeling van een dergelijk verzoek, ongeacht wie daarover uiteindelijk de beslissing neemt (de directeur of verweerder). In het verlengde daarvan neemt de beroepscommissie aan dat – hoewel zij eerder anders heeft overwogen – het (in beginsel) niet mogelijk is een verzoek om verlof direct aan verweerder te richten.

Het gegeven dat (onder meer) artikel 2 van de Regeling niet van toepassing is verklaard op het eindverlof, begrijpt de beroepscommissie zo dat de wetgever kennelijk heeft bedoeld om de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek om eindverlof door de gedetineerde uit te sluiten. Dit leidt de beroepscommissie ook af uit de toelichting op artikel 33c van de Regeling, waarin staat dat de directeur-generaal van de Dienst Justitiële inrichtingen (DGDJI), namens verweerder, de bevoegdheid heeft voor het verlenen van eindverlof, dat het initiatief inzake toekenning van eindverlof bij de DJI ligt en dat het eindverlof geen recht is van de gedetineerde. Het is de DGDJI die beslist zonder dat daar een verzoek van de gedetineerde aan vooraf dient te gaan (Stcrt. 2025, 24169).

Gelet op het voorgaande is de beroepscommissie van oordeel dat het verzoek van klager om aan hem eindverlof te verlenen geen wettelijke grondslag heeft. Daarom kan er ook geen sprake zijn van een (fictieve) weigering van verweerder om op dat verzoek te beslissen. Klager moet daarom niet-ontvankelijk in zijn beroep worden verklaard.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beroep.

 

Deze uitspraak is op 17 februari 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. G.C. Bos, voorzitter, mr. A.B. Baumgarten en mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, leden, bijgestaan door mr. A. Back, secretaris.

 

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven