Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/52570/GV, 17 februari 2026, beroep
Uitspraakdatum:17-02-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Verlof  v

Nummer          25/52570/GV

Betreft [klager]

Datum 17 februari 2026

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) heeft op 6 oktober 2025 aan klager eindverlof zoals bedoeld in artikel 33c van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: de Regeling) verleend.

Verweerder heeft op 14 oktober 2025 beslist om het eindverlof in te trekken.

Klager heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft klager en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.

 

2. De beoordeling

De regelgeving

In artikel 33c, eerste lid, van de Regeling staat dat een gedetineerde met een onherroepelijke gevangenisstraf, hechtenis of vervangende hechtenis van ten minste acht dagen en ten hoogste een jaar in aanmerking kan komen voor verlof aan het einde van zijn detentie in verband met een tekort aan plaatsen voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen in penitentiaire inrichtingen.

In het zesde lid is benoemd om welke redenen eindverlof niet wordt verleend aan een gedetineerde. Op grond van artikel 33c, zesde lid, aanhef en onder j, van de Regeling, wordt eindverlof niet verleend aan een gedetineerde die is veroordeeld voor een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf.

In het negende lid is benoemd dat op grond van gewijzigde omstandigheden, het overtreden van de aan het eindverlof verbonden voorwaarden of een incident, een reeds verleend eindverlof of het daarvan resterende gedeelte kan worden ingetrokken, naar een ander tijdstip kan worden verplaatst of dat daaraan nadere voorwaarden kunnen worden verbonden.

 

De overwegingen van de beroepscommissie

Blijkens de toelichting bij de wijziging van de Regeling (Stcrt. 2025, 24169) is de mogelijkheid van het verlenen van eindverlof in het leven geroepen vanwege de capaciteitsproblematiek in het gevangeniswezen. De maatregel van het eindverlof houdt in dat gedetineerden in aanmerking komen voor verlof aan het einde van hun detentie wanneer daarmee een noodzakelijke bijdrage wordt geleverd aan het oplossen van het capaciteitsprobleem binnen het gevangeniswezen.

Bij beslissing van 6 oktober 2025 is aan klager eindverlof verleend vanaf 19 oktober 2025 tot en met 1 november 2025. Vervolgens heeft verweerder op 14 oktober 2025 beslist het eindverlof in te trekken vanwege gewijzigde omstandigheden. Klager zou veroordeeld zijn voor een geweldsdelict en dit zou een uitsluitingsgrond voor het verlenen van eindverlof zijn. In beroep heeft verweerder toegelicht dat het eindverlof nooit aan klager had mogen worden verleend, gelet op de aanwezige uitsluitingsgrond en dat gelet op de ernst van het strafbare feit en de daaraan verbonden risico’s is beslist om het eindverlof alsnog in te trekken.

De beroepscommissie overweegt als volgt. Verweerder heeft toegelicht dat klager is veroordeeld voor een misdrijf als bedoeld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van artikel 1, aanhef en onder x, van de Regeling wordt een dergelijk misdrijf aangemerkt als een ernstig geweldsmisdrijf. Gelet op artikel 33c, zesde lid, aanhef en onder j, van de Regeling kwam klager reeds daarom niet in aanmerking voor eindverlof. Verweerder heeft dit verlof toch aan klager verleend. Hoewel verweerder wijst op de mogelijkheid om bij gewijzigde omstandigheden een reeds verleend eindverlof in te trekken, is naar het oordeel van de beroepscommissie in dit geval geen sprake van gewijzigde omstandigheden. De aard van klagers veroordeling was immers op het moment dat aan hem eindverlof werd verleend ook al bekend. Dat dit door verweerder kennelijk over het hoofd is gezien, acht de beroepscommissie onzorgvuldig. De beroepscommissie begrijpt ook dat deze gang van zaken voor klager verwarrend is geweest.

Aan klager had evenwel, gelet op zijn veroordeling voor een ernstig geweldsmisdrijf, geen eindverlof kunnen worden toegekend, zodat de beroepscommissie in dit geval kan volgen dat verweerder op een later moment heeft beslist om het eindverlof alsnog in te trekken. Klager heeft daarvan, los van de verwarring, in feite geen nadeel ondervonden, omdat hij er op voorhand al niet voor in aanmerking kwam.

Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de bestreden beslissing, zij het op andere gronden, niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep dan ook ongegrond verklaren.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 17 februari 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. G.C. Bos, voorzitter, mr. dr. A. Pahladsingh en mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, leden, bijgestaan door mr. A. Back, secretaris.

 

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven