Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/49909/GM, 13 februari 2026, beroep
Uitspraakdatum:13-02-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/49909/GM

Betreft  klager

Datum  13 februari 2026

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

klager (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beroep ingesteld tegen het medisch handelen van de inrichtingstandarts van de locatie Norgerhaven te Veenhuizen (hierna: de inrichtingstandarts). Klager beklaagt zich erover dat hij geen tandzorg krijgt.

De medisch adviseur bij het ministerie van Justitie & Veiligheid heeft bemiddeld. Het bemiddelingsverslag bevindt zich in het dossier.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman mr. J.G.M. Dassen en de verpleegkundig specialist en het hoofd zorg, namens de inrichtingstandarts, gehoord op de digitale zitting van 23 december 2025. Drs. B.A. Geurts, lid van de RSJ, was als toehoorder aanwezig.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

De tandzorg bij klager is noodzakelijk, maar voor de gewenste behandeling van zijn gebit is een machtiging van de tandheelkundig adviseur nodig. De aanvraag voor deze machtiging is afgewezen, omdat hij in het huis van bewaring verblijft. Omdat de machtiging is afgewezen, krijgt klager geen tandzorg.

Standpunt van de inrichtingstandarts

De inrichtingstandarts onderschrijft dat er een serieus probleem is met klagers gebit. Hij is echter gebonden aan het Vademecum (Verstrekkingenpakket Medische Zorg). De inrichtingstandarts kan niet veel meer dan de urgentie bij de tandheelkundig adviseur onder de aandacht brengen, maar uiteindelijk moet hij zich neerleggen bij de beslissing van de tandheelkundig adviseur.

 

3. De beoordeling

Klager heeft een ernstig gebitsprobleem. Ten tijde van de klacht gaf hij te kennen continu pijn te hebben. Klager had naar eigen zeggen al maanden slapeloze nachten. Daarnaast maakte klager duidelijk dat hij losse tanden heeft en dat al een aantal tanden is uitgevallen waardoor hij moeilijk kan eten. De inrichtingstandarts onderschreef de ernst van klagers gebitsprobleem en heeft bij de tandheelkundig adviseur een machtiging aangevraagd voor een volledig kunstgebit in de bovenkaak en een gedeeltelijk kunstgebit in de onderkaak. De tandheelkundig adviseur heeft de aanvraag afgewezen.

Voor zover het beroep is gericht tegen de afwijzing van de aanvraag van een machtiging voor een (gedeeltelijk) kunstgebit, geldt dat het beroep is gericht tegen een beslissing van de tandheelkundig adviseur en dit geen medisch handelen van de inrichtingstandarts betreft. De beroepscommissie zal klager op dit punt niet-ontvankelijk in zijn beroep verklaren.

Dat de aanvraag voor een machtiging is afgewezen, maakt niet dat de inrichtingstandarts geen behandelmogelijkheden meer heeft. Gelet op de ernst van klagers gebitsprobleem mocht van de inrichtingstandarts worden verwacht dat hij met klager zou kijken welke noodzakelijke tandzorg nog wél mogelijk was toen de aanvraag voor de machtiging voor een (gedeeltelijk) kunstgebit was afgewezen. Zo had de inrichtingstandarts kunnen overwegen om de tanden oppervlakkig te reinigen, de tanden tijdelijk te spalken en/of Perio Aid (een mondspoeling) voor te schrijven. Dat gesprek over andere behandelingsmogelijkheden heeft de inrichtingstandarts kennelijk niet gevoerd, terwijl dat redelijkerwijs wel van hem mocht worden verwacht. De beroepscommissie is daarom van oordeel dat de inrichtingstandarts niet voldoende zorgvuldig heeft gehandeld.

Het handelen van de inrichtingstandarts moet worden aangemerkt als in strijd met de norm zoals bedoeld in artikel 71f, derde lid, onder a. of b., van de Penitentiaire beginselenwet. De beroepscommissie zal het beroep daarom gegrond verklaren. De beroepscommissie ziet aanleiding om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen. Zij zal deze vaststellen op €125,-.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beroep voor zover dit betrekking heeft op het niet verstrekken van een machtiging door de tandheelkundig adviseur en verklaart het beroep voor het overige gegrond. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €125,-.

 

Deze uitspraak is op 13 februari 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter, drs. M.I. van den Baar-Vroon en drs. P.D.A. Schouten, leden, bijgestaan door mr. R.A.J. van de Kamp, secretaris.

 

secretaris         voorzitter

Naar boven