Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/50307/GA, 13 april 2026, beroep
Uitspraakdatum:13-04-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/50307/GA

Betreft [klager]

Datum 13 april 2026

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

de directeur van de Penitentiaire Inrichting (PI) Arnhem (hierna: de directeur)

 

1. De procedure

[klager] (hierna: klager) heeft beklag ingesteld tegen de maatregelen die hem op 15 januari 2025 zijn opgelegd vanwege zijn status als gedetineerde met een vlucht‑/maatschappelijk risico (GVM‑maatregelen).

De beklagcommissie bij de PI Arnhem heeft op 28 juli 2025 het beklag gegrond verklaard (A‑2025‑72). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

De directeur heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft de directeur, klager en zijn raadsman, mr. T.S. van der Horst, in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De beoordeling

Noodzaak GVM-maatregelen

Op 8 januari 2025 is klager besproken in het Operationeel Overleg (OO) en is besloten klagers GVM-status ‘hoog’ te handhaven. Deze status is aan klager toegekend vanwege het ontvluchtingsgevaar en het liquidatiegevaar. De directeur heeft voor de periode van 15 januari 2025 tot en met 15 juli 2025 GVM-maatregelen aan klager opgelegd in verband met deze indicaties.

De directeur heeft een discretionaire bevoegdheid bij het opleggen van toezichtsmaatregelen aan gedetineerden die op de GVM-lijst zijn geplaatst. De directeur kan deze maatregelen opleggen als dit noodzakelijk is in verband met de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting. Bij het opleggen van toezichtsmaatregelen geldt – volgens vaste jurisprudentie van de beroepscommissie – het volgende:

  • er moet sprake zijn van een noodzaak voor het opleggen van de onderhavige toezichtsmaatregelen;
  • de directeur dient de gedetineerde voorafgaand aan de beslissing te horen;
  • de directeur dient een eigen belangenafweging te maken en kan zijn beslissing niet slechts baseren op de plaats en status van de gedetineerde op de GVM-lijst.

De beslissing moet worden genomen op basis van de binnengekomen informatie van het Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP), de visie van de directeur en informatie die de gedetineerde zelf verstrekt (tijdens het horen door de directeur). De belangenafweging, die in het kader van de discretionaire bevoegdheid van de directeur plaatsvindt, moet toetsbaar en dus kenbaar zijn. Dat betekent dat de gemaakte belangenafweging op enigerlei wijze schriftelijk moet worden vastgelegd.

De directeur heeft de beslissing gebaseerd op de verstrekte informatie vanuit het OO van 8 januari 2025 en de GRIP-rapporten van 16 mei 2022, 5 januari 2023, 15 juni 2023 (inclusief de informatie van het Openbaar Ministerie van 31 mei 2023) en 11 september 2023. De beroepscommissie is van oordeel dat in dit geval, vanwege de aard van de informatie in voornoemde GRIP-rapporten, het tijdsverloop niet maakt dat deze informatie op het moment van het nemen van de beslissing onvoldoende actueel is. Hierbij wordt eveneens meegenomen dat klagers hoger beroep loopt en zijn veroordeling daarom nog niet onherroepelijk is. De directeur heeft aangegeven dat uit informatie van het GRIP, ten behoeve van het OO van 8 januari 2025, blijkt dat in december 2024 een pro-forma zitting heeft plaatsgevonden en dat vanaf februari 2025 kan worden gestart met de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.

Dat er daarnaast geen concrete aanwijzingen zijn van vlucht- of liquidatiegevaar en de rechtbank geen vluchtgevaar meer aanneemt, maakt, gelet op de aard van de informatie in de GRIP‑rapporten, niet dat de informatie onvoldoende concreet is om GVM-maatregelen op te baseren (vergelijk RSJ 10 juli 2025, 25/46312/GA). De beroepscommissie overweegt dat een mogelijke ontvluchting of liquidatie in het algemeen zeer ernstig is (vergelijk RSJ 16 januari 2024, 23/33758/GA). De beroepscommissie is van oordeel dat de informatie in de GRIP-rapporten in dit geval voldoende actueel, betrouwbaar en concreet is.

De directeur heeft naar het oordeel van de beroepscommissie op grond van voornoemde informatie van het OO en de GRIP‑rapporten kunnen en mogen concluderen dat de GVM-maatregelen nog steeds noodzakelijk zijn om klagers contacten met de buitenwereld te monitoren, vanwege klagers strafzaak, de ernst van de feiten waarvan hij wordt verdacht en zijn rol in het criminele samenwerkingsverband. Klager behoort tot een crimineel samenwerkingsverband dat in staat is gebleken om binnen verschillende inrichtingen via medegedetineerden snel contact met hem te leggen en dat beschikt over voldoende middelen, mensen en macht om een bevrijding mogelijk te maken. De directeur stelt in de beslissing dat er een voortdurende dreiging op en vanuit klager is voor liquidatie (vergelijk RSJ 10 juli 2025, 25/46312/GA).

Klagers raadsman noemt enkele toezichtsmaatregelen die volgens hem aangepast dan wel afgeschaald hadden kunnen worden, namelijk meer belminuten met sociale contacten (zijn belminuten zouden zijn verminderd), meer personen op de screeningslijst, het toestaan van bezoek zonder toezicht (BZT) en het toestaan van regulier transport.

Beperking belduur

Ten aanzien van de belminuten overweegt de beroepscommissie het volgende. In een memo van 1 januari 2025 staat vermeld dat de dagelijkse belduur van GVM’ers in de PI Arnhem is gewijzigd van vijftien naar tien minuten per dag (vergelijk RSJ 21 maart 2025, 24/41191/GA). De directeur heeft het aantal belminuten gewijzigd, zodat dit aansluiting vindt bij de landelijke standaard voor alle locaties met een Afdeling Intensief Toezicht (AIT). De (beperking van de) belduur van tien minuten per dag is opgenomen in de bestreden GVM-maatregelen.

De beroepscommissie stelt voorop dat de GVM-circulaire niet uitsluit dat een gedetineerde, binnen een samenhangend en effectief pakket van maatregelen, méér dan tien minuten per dag mag bellen (zie ook RSJ 21 maart 2025, 24/41191/GA). Dit was ook bij klager het geval. Voor de beperking van klagers belduur geeft de directeur slechts als motivering de beleidswijzing binnen de AIT-locaties. Met het oog op de individuele belangenafweging bij GVM-maatregelen, waarbij maatwerk wordt toegepast, acht de beroepscommissie de afschaling van het aantal belminuten in dit specifieke geval onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast vervallen ook de toegekende belminuten aan klager ten behoeve van het bellen met zijn kinderen van vijf minuten per dag, omdat volgens de directeur de noodzaak daartoe niet langer aanwezig is. De directeur heeft echter geenszins gemotiveerd wat maakt dat deze noodzaak niet langer bestaat.

Daarbij komt dat in de GVM‑maatregelen (in algemene zin) is genoteerd dat het niet haalbaar is om klager meer belminuten te geven omdat al zijn gesprekken dienen te worden uitgeluisterd. Een dergelijke passage is echter ook opgenomen in de voorgaande GVM-maatregelen (d.d. 19 juli 2024 – 19 januari 2025), waarbij klager dagelijks vijftien minuten mocht bellen en daarnaast nog dagelijks vijf minuten met zijn kinderen mocht bellen (in totaal twintig minuten per dag). Zonder nadere toelichting is het onduidelijk wat maakt dat bij de oplegging van de onderhavige GVM-maatregelen de twintig belminuten per dag niet (meer) haalbaar zouden zijn om uit te luisteren. Daarom is naar het oordeel van de beroepscommissie onvoldoende gemotiveerd waarom de beperking van de belduur noodzakelijk is.

Screeningslijst, BZT en transport

Voor wat betreft de screeningslijst volgt uit de GVM-maatregelen niet dat er een maximumaantal contactpersonen zijn. De beroepscommissie kan daar in deze procedure dus niet over oordelen. Daarnaast volgt uit de GVM-maatregelen niet dat klager geen BZT zou mogen hebben. De beroepscommissie leidt hieruit af dat het voor klager mogelijk is om een verzoek om BZT in te dienen waarover de directeur vervolgens een beslissing kan nemen. Ten aanzien van het regulier transport overweegt de beroepscommissie dat het niet onredelijk en onbillijk is dat – gelet op de indicaties – de maatregel is opgelegd van extra beveiligd vervoer of vervoer door het Bijzonder Ondersteuningsteam.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de noodzaak tot oplegging van de GVM-maatregelen naar het oordeel van de beroepscommissie voldoende aannemelijk geworden en deugdelijk gemotiveerd, met uitzondering van de beperking van de belduur. Vanwege dit laatste is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie het beklag terecht gegrond heeft verklaard, zij het om een andere reden. Het beroep van de directeur zal daarom ongegrond worden verklaard.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie met wijziging van de gronden.

 

Deze uitspraak is op 13 april 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. R.A.E. van Noort, voorzitter, mr. A.B. Baumgarten en mr. W.J.M. Fleskens, leden, bijgestaan door mr. S.J.S. Uiterweerd, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven