Nummer 25/47018/JA
Betreft [Klaagster]
Datum 3 maart 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[Klaagster], geboren op [geboortedatum] (hierna: klaagster)
1. De procedure
Klaagster heeft beklag ingesteld tegen:
- het geven van een oranje kaart op 12 december 2024 (H-2024-284);
- de beslissing tot het intrekken van familieverlof (H-2024-285);
- een voorstel om haar terug te plaatsen van de Licht Beveiligde Unit (LBU) naar de reguliere afdeling C (H-2024-286).
De beklagcommissie bij de Rijks Justitiële Jeugdinrichting (RJJI) De Hunnerberg te Nijmegen heeft op 10 februari 2025 beklag a. en beklag c. ongegrond verklaard en klaagster niet‑ontvankelijk verklaard in beklag b. De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.
Klaagster heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.
De beroepscommissie heeft klaagster, haar raadsman mr. R.A. Bruinsma en een juridisch medewerker bij de RJJI De Hunnerberg, gehoord op de zitting van 28 oktober 2025. Mr. L.M. Uljee, secretaris bij de RSJ, was als toehoorder aanwezig.
2. De beoordeling
Beklag a.
Klaagster heeft op 12 december 2024 een oranje kaart gekregen. Een oranje kaart is een soort waarschuwing die een jeugdige op de LBU kan krijgen. Hierin staat een beschrijving van klaagsters gedrag en gemaakte afspraken met het behandelteam.
De beroepscommissie merkt een oranje kaart aan als een pedagogische maatregel. Dat is geen beslissing waartegen beklag open staat, gelet op artikel 65, eerste lid, van de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen (Bjj).
De beklagcommissie heeft geoordeeld dat klaagster ontvangen kan worden in haar beklag, omdat het zou gaan om een vermeende schending van het recht op een passende behandeling, zoals omschreven in artikel 77 van het Regelement Justitiële Jeugdinrichtingen (Rjj)).
Anders dan de beklagcommissie, is de beroepscommissie van oordeel dat klaagsters beklag niet valt binnen het bereik van artikel 77 van het Rjj. Het beklag gaat namelijk niet over het (geheel of gedeeltelijk) uitblijven van een passende behandeling of (vertraging in) de voortgang daarvan, maar over een behandelinhoudelijke beslissing. De beroepscommissie kan niet treden in de (wijze van) behandeling van klaagster.
Gelet op het voorgaande, is de beroepscommissie van oordeel dat klaagster niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in haar beklag. Daarom zal de beroepscommissie de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre vernietigen en klaagster alsnog niet-ontvankelijk verklaren in beklag a.
Beklag b.
In de oranje kaart van 12 december 2024 zijn klaagsters familieverloven ingetrokken. De beklagcommissie heeft geoordeeld dat er geen sprake was van een beslissing tot intrekking van verlof, aangezien onvoldoende concreet was dat er getekende verlofpassen lagen. De directeur heeft tijdens de beroepszitting aangegeven dat klaagsters verloven zijn ingetrokken op grond van artikel 30, vierde lid, van de Bjj. De beroepscommissie gaat er daarom vanuit dat wel sprake is van een beslissing tot intrekking van verlof waartegen klaagster kan klagen (artikel 65, eerste lid, aanhef en onder g, van de Bjj).
Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre vernietigen en klaagster alsnog ontvankelijk verklaren in beklag b. De beroepscommissie zal dit beklag als eerste en enige instantie inhoudelijk beoordelen.
Uit de ondertekening van de oranje kaart leidt de beroepscommissie af dat de beslissing is genomen door het afdelingshoofd en een gedragsdeskundige. Een beslissing tot intrekking van verlof is voorbehouden aan de directeur (artikel 4, vierde lid, onder g, van de Bjj). Het is niet mogelijk om het afdelingshoofd en/of een gedragsdeskundige hiertoe te mandateren.
Gelet op het voorgaande is de beslissing onbevoegd genomen. Vanwege dit vormverzuim zal de beroepscommissie het beroep in zoverre gegrond verklaren en dit beklag gegrond verklaren. De beroepscommissie ziet geen aanleiding om aan klaagster een tegemoetkoming toe te kennen voor het vormverzuim. Bovendien is de beroepscommissie van oordeel dat de genomen beslissing inhoudelijk niet als onredelijk of onbillijk kan worden aangemerkt.
Uit de oranje kaart volgt namelijk dat klaagsters verloven zijn ingetrokken, omdat ze zich niet aan afspraken omtrent verlof hield. Het behandelteam ervaarde vijandigheid en weerstand. De beroepscommissie is van oordeel dat in redelijkheid kon worden beslist tot het intrekken van klaagsters familieverlof vanwege haar gedrag.
Beklag c.
Beklag c. gaat erover dat (in de oranje kaart) een voorstel zou staan om klaagster intern over te plaatsen naar afdeling C. Daar is ze het niet mee eens.
Nog los van het feit dat in de oranje kaart juist staat dat ze niet naar afdeling C wordt overgeplaatst, overweegt de beroepscommissie dat (een voorstel tot) een beslissing tot interne overplaatsing geen beslissing is in de zin van artikel 65, eerste lid, van de Bjj.
Klaagsters raadsman meent – met de beklagcommissie – dat het beklag gaat over een vermeende schending van het recht op een passende behandeling (artikel 77 van het Rjj). De beroepscommissie verwijst in dit kader naar haar overweging onder beklag a.
Gelet op het voorgaande, is de beroepscommissie van oordeel dat klaagster niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in haar beklag. Daarom zal de beroepscommissie de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre vernietigen en klaagster alsnog niet-ontvankelijk verklaren in beklag c.
3. De uitspraak
De beroepscommissie vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie inzake beklag a. en beklag c. en verklaart klaagster alsnog niet-ontvankelijk in deze klachten.
De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag b. gegrond, vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie, verklaart klaagster alsnog ontvankelijk in dit beklag en verklaart dit beklag gegrond. Zij kent klaagster geen tegemoetkoming toe.
Deze uitspraak is op 3 maart 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, voorzitter, drs. F.W. Post en drs. P.Th.H. Richelle, leden, bijgestaan door mr. A. Laagland, secretaris.
secretaris voorzitter