Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/52809/GA, 10 februari 2026, beroep
Uitspraakdatum:10-02-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/52809/GA

Betreft  [klager]

Datum  10 februari 2026

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen:

  1. een ordemaatregel van uitsluiting van alle gemeenschappelijke activiteiten, voor de duur van zeven dagen, vanwege het monitoren van zijn gedrag en contacten, om voortgezet crimineel handelen te voorkomen, ingaande op 26 juni 2025 (A-2025-426);
  2. de beslissing van 26 juni 2025 tot beperking van zijn belminuten tot tien minuten per dag (A-2025-427).

De beklagcommissie bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Arnhem heeft op 20 oktober 2025 de klachten ongegrond verklaard. De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

Klagers raadsvrouw, mr. B.M. Loef, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, mr. M. de Reus, waarnemer van zijn raadsvrouw, de plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de PI Arnhem en een juridisch medewerker bij de PI Arnhem gehoord op de digitale zitting van 13 januari 2026.

 

2. De beoordeling

Beklag a.

Op basis van de stukken en van wat ter zitting is besproken, is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie beklag a. terecht ongegrond heeft verklaard. Naar het oordeel van de beroepscommissie heeft de directeur in redelijkheid kunnen beslissen tot het opleggen van de ordemaatregel om klager te monitoren (bij zijn binnenkomst op de Afdeling Intensief Toezicht). De directeur heeft ter zitting toegelicht dat ook wordt gekeken hoe klager en zijn medegedetineerden op elkaar(s naam) reageren. De beroepscommissie overweegt dat de noodzaak van het voortduren van de ordemaatregel tussentijds is getoetst en de ordemaatregel op 30 juni 2025 is beëindigd. Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard.

Beklag b.

Op basis van de stukken en van wat ter zitting is besproken, is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie beklag b. terecht ongegrond heeft verklaard.

Een beperking van het aantal belminuten is een toezichtsmaatregel die kan worden opgelegd op grond van artikel 39, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) (zie RSJ 10 juli 2025, 25/46158/GA). De directeur heeft in de schriftelijke mededeling van de ordemaatregel deze toezichtsmaatregel opgelegd en daarbij artikel 39, derde lid, van de Pbw genoemd. Op grond van het derde lid kan de directeur namelijk bepaalde telefoongesprekken weigeren. De beroepscommissie overweegt dat deze grondslag ook kan worden gebruikt voor het beperken van telefonie in tijdsduur, maar dan geldt wel het vereiste dat de beslissing op schrift moet worden gesteld (volgens artikel 58, tweede lid, onder c, van de Pbw). In dit geval is de beslissing op schrift gesteld. Anders dan de raadsman acht de beroepscommissie het niet bezwaarlijk dat die beslissing opgenomen is in de schriftelijke mededeling van de ordemaatregel. Er is geen rechtsregel die zich daartegen verzet. In de mededeling is duidelijk het onderscheid gemaakt tussen de grondslag van de ordemaatregel en die van de belbeperking. Over de duur van de belbeperking heeft ook geen onduidelijkheid kunnen bestaan, want volgens de directeur (en dat is onweersproken) heeft klager bij het beëindigen van de ordemaatregel een mededeling gekregen waarin stond dat de belbeperking voortduurde.

Vanwege het risico op voortgezet crimineel handelen in detentie wilde de directeur klagers contacten beperken en hem maximaal kunnen monitoren. Gelet daarop heeft de directeur naar het oordeel van de beroepscommissie in redelijkheid kunnen beslissen dat het beperken van klagers belduur tot tien minuten per dag noodzakelijk was.

Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag a. ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie met aanvulling van de gronden.

De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag b. ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie met wijziging van de gronden.

 

Deze uitspraak is op 10 februari 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. J.T.W. van Ravenstein, voorzitter, drs. T.A. Venrooij en mr. S.C.M. Wouda-van Velzen, leden, bijgestaan door mr. A. Laagland, secretaris.

 

secretaris                                                                                voorzitter

Naar boven