Nummer 26/54600/SGA
Betreft verzoeker
Datum 4 februari 2026
Uitspraak van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ op het verzoek van
verzoeker (hierna: verzoeker)
1. De procedure
De directeur van het Justitieel Complex Zaanstad (hierna: de directeur) heeft aan verzoeker een disciplinaire straf opgelegd van acht dagen opsluiting in een strafcel, die ten uitvoer wordt gelegd in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, vanwege aangetroffen contrabande bij verzoekers bezoeker, ingaande op 30 januari 2026 om 15:10 uur en eindigend op 7 februari 2026 om 15:10 uur.
Verzoekers raadsman, mr. P.T.P. van der Made, vraagt namens verzoeker om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging daarvan.
De voorzitter heeft kennisgenomen van de reactie van de directeur op het schorsingsverzoek en van het klaagschrift (ZO-2026-64).
2. De beoordeling
De voorzitter stelt voorop dat bij een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De zaak kan dus niet ten gronde worden onderzocht. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing waartegen beklag is ingesteld in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat deze zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval.
Namens verzoeker is onder meer aangevoerd dat hij geen weet had van de aangetroffen contrabande bij zijn bezoeker. Ook is het schriftelijk verslag hem niet aangezegd. Uit de reactie van de directeur op het schorsingsverzoek komt onder andere naar voren dat het schriftelijk verslag niet aan verzoeker is aangezegd, omdat dit verslag pas is opgemaakt en verzonden nadat het dagprogramma was beëindigd. Aangezien verzoeker direct de volgende ochtend vroeg is gehoord, was er geen mogelijkheid om het schriftelijk verslag aan te zeggen, aldus de directeur.
De voorzitter overweegt als volgt.
Op grond van artikel 50, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet deelt een ambtenaar of medewerker, indien hij constateert dat een gedetineerde betrokken is bij feiten die onverenigbaar zijn met de orde of veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming en hij voornemens is daarover aan de directeur schriftelijk verslag te doen, dit aan de gedetineerde mede. De aanzegging dient ertoe om de gedetineerde op de hoogte te stellen van het feit dat jegens hem verslag wordt gedaan aan de directeur, zodat de gedetineerde zich kan voorbereiden op een hoorgesprek met de directeur. Om die reden is het aanzeggen van het schriftelijk verslag dwingend voorgeschreven. Dit dient binnen 24 uur na het voorval te worden gedaan (vergelijk
RSJ 7 oktober 2019, R-19/3770/GA).
Uit de stukken komt naar voren dat verzoeker geen schriftelijk verslag is aangezegd. Gelet daarop is de bestreden beslissing in strijd met de wet genomen. De voorzitter zal het verzoek daarom toewijzen.
3. De uitspraak
De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing met onmiddellijke ingang tot het moment waarop de beklagcommissie op het onderliggende beklag heeft beslist.
Deze uitspraak is op 4 februari 2026 gedaan door mr. R.H. Koning, voorzitter, bijgestaan door mr. P.H. van Roosmalen, secretaris.
secretaris voorzitter