Nummer 25/53163/GV
Betreft [klager]
Datum 5 februari 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
De – zo begrijpt de beroepscommissie – Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) heeft op 27 november 2025 klagers verzoek om strafonderbreking afgewezen.
Klagers raadsvrouw, mr. M. Neijenhuis, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.
2. De beoordeling
Klager is sinds 15 augustus 2025 gedetineerd. Hij ondergaat een gevangenisstraf van veertien maanden met aftrek, wegens het in vereniging plegen van diefstal met geweld en bedreiging met geweld. De datum waarop klager (voorwaardelijk) in vrijheid wordt gesteld, is momenteel bepaald op 2 september 2026.
De regelgeving
Artikel 1, aanhef en onder e, van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: de Regeling) bepaalt dat onder ‘kind’ wordt verstaan: het kind van de gedetineerde, alsmede het stiefkind, pleegkind, kind van de levenspartner of kleinkind.
Artikel 1, aanhef en onder i, van de Regeling bepaalt dat onder ‘levenspartner’ wordt verstaan: de echtgenoot van de gedetineerde, alsmede de persoon met wie een aantoonbaar duurzaam samenlevingsverband wordt onderhouden daterende van voor de aanvang van de detentie.
In artikel 21 van de Regeling staat dat incidenteel verlof kan worden verleend voor het bijwonen van gebeurtenissen in de persoonlijke sfeer van de gedetineerde, waarbij zijn aanwezigheid noodzakelijk is.
Op grond van artikel 26 van de Regeling kan incidenteel verlof worden verleend voor een kraambezoek aan de levenspartner van de gedetineerde en het pasgeboren kind. Behoudens medische complicaties vindt het kraambezoek binnen veertien dagen na de bevalling plaats.
In artikel 34 van de Regeling staat dat strafonderbreking kan worden verleend wegens zodanig bijzondere omstandigheden in de persoonlijke sfeer, dat niet kan worden volstaan met een andere vorm van verlof.
Op grond van artikel 36 van de Regeling kan strafonderbreking worden verleend voor het bijwonen van de bevalling van de levenspartner van de gedetineerde.
De inhoudelijke beoordeling
Klagers verzoek om strafonderbreking is afgewezen omdat klager volgens verweerder ten tijde van de bestreden beslissing onvoldoende objectief had aangetoond dat zijn vriendin zijn levenspartner is en klager had op dat moment zijn kind nog niet erkend. Daarom is aan klager ook geen incidenteel verlof voor een kraambezoek verleend. Klagers zoon is op 27 november 2025 geboren. Verweerder geeft in beroep aan dat gedurende de beroepsprocedure is gebleken dat klager – op 16 december 2025 – zijn kind heeft erkend bij de gemeente. Bij beslissing van 5 januari 2026 is daarom aan klager incidenteel verlof verleend voor het afleggen van een kraambezoek.
Namens klager wordt in beroep aangevoerd dat het toegekende incidentele verlof het gemis om bij de bevalling aanwezig te zijn niet kan compenseren en dat daarom wordt verzocht om compensatie in de vorm van een extra verlofmogelijkheid, zodat klager alsnog in ruimere mate bij zijn gezin en pasgeboren kind aanwezig kan zijn.
Klager stelt zich op het standpunt dat hij ten tijde van de bestreden beslissing geen reële mogelijkheden had om aanvullend of anderszins objectief aan te tonen dat sprake was van een levenspartner. Op basis van de informatie die er lag had verweerder volgens klager moeten concluderen dat er wel degelijk sprake was van een levenspartner. Het feitelijke woonadres van klager, te weten het adres van zijn vriendin, was bij de autoriteiten bekend. Ten aanzien van de erkenning van het kind merkt klager op dat hij hierover niet eerder geïnformeerd is.
Uit de bestreden beslissing volgt dat uit de stukken bleek dat klager niet bij zijn vriendin stond ingeschreven. Verder had klager het ongeboren kind nog niet erkend. Hoewel uit informatie van de inrichting bleek dat klagers vriendin hem in de periode daarvoor regelmatig heeft bezocht, achtte verweerder dit onvoldoende om te kunnen vaststellen dat er sprake is van een duurzaam samenlevingsverband daterende van voor de aanvang van de detentie. Dit kan de beroepscommissie niet volgen. Bij het advies vanuit de inrichting zijn de volgende bijlagen toegevoegd: aanvraagformulier medisch adviseur, motivatiebrief van klagers vriendin, toestemmingsverklaring, zwangerschapsverklaring, reclasseringsadvies, foto’s om de relatie aan te tonen en schriftelijke motivatie. In het advies van de reclassering van 11 november 2025 staat dat klager samen met zijn partner een huurappartement bewoont en dat hij zich gedurende zijn detentie heeft ingeschreven bij zijn ouders, zodat zijn partner aanspraak kan maken op toeslagen. Verder staat in het advies dat klagers partner in verwachting is van hun eerste kind samen en dat hun zoon eind november wordt verwacht. De beroepscommissie is van oordeel dat verweerder op basis van die informatie in combinatie met de andere stukken en het positieve advies vanuit de inrichting anders had moeten beslissen ten aanzien van klagers initiële verzoek.
Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen moet de bestreden beslissing als onredelijk en onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom gegrond verklaren en de bestreden beslissing vernietigen. Zij zal verweerder niet opdragen een nieuwe beslissing te nemen, omdat aan klager inmiddels incidenteel verlof voor het afleggen van een kraambezoek is verleend. Nu klager de bevalling niet heeft kunnen bijwonen, ziet de beroepscommissie wel aanleiding om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen voor de gemiste strafonderbreking. De beroepscommissie zal deze vaststellen op €75,-.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €75,-.
Deze uitspraak is op 5 februari 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. G.C. Bos, voorzitter, mr. A.B. Baumgarten en F. van Dekken, leden, bijgestaan door mr. M. Olde Keizer, secretaris.
secretaris voorzitter