Nummer 25/47653/GM
Betreft klaagster
Datum 30 januari 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
klaagster (hierna: klaagster)
1. De procedure
Klaagster heeft beroep ingesteld tegen het medisch handelen van de inrichtingsarts van de locatie Nieuwersluis (hierna: de inrichtingsarts). Klaagster beklaagt zich erover dat er geen gehoor wordt gegeven aan haar euthanasiewens. Ze wenst een externe euthanasiearts te spreken.
De medisch adviseur bij het ministerie van Justitie & Veiligheid heeft bemiddeld. Het bemiddelingsverslag bevindt zich in het dossier.
De beroepscommissie heeft het hoofd zorg en een juridisch medewerker, namens de inrichtingsarts, gehoord op de digitale zitting van 22 juli 2025.
Als toehoorder was mr. R.A.J. van Kamp, secretaris bij de RSJ, aanwezig.
Klaagster heeft afstand gedaan van het recht om aan de digitale zitting deel te nemen.
Een van de leden van de beroepscommissie, drs. B.A. Geurts, kon ter zitting niet aanwezig zijn, maar beslist wel mee op het beroep aan de hand van het dossier en wat ter zitting is besproken. De voorzitter heeft dit ter zitting medegedeeld.
De beroepscommissie betreurt dat de uitspraak op dit beroep lang op zich heeft laten wachten en biedt partijen daarvoor excuses aan.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van klaagster
Klaagster heeft een euthanasiewens. Het raadplegen van een externe euthanasiearts wordt haar ontzegd.
Standpunt van de inrichtingsarts
Klaagster is psychisch belast en is tijdens haar verblijf in de inrichting meerdere malen bij de psycholoog en psychiater geweest voor een consult. Ze is nog niet eerder behandeld voor haar psychische problematiek. De psychiater heeft met klaagster besproken dat er eerst gekeken dient te worden naar de mogelijkheden voor behandeling, voordat euthanasie kan worden overwogen. Ondanks meerdere gesprekken tussen klaagster en de behandelaren om samen op zoek te gaan naar behandelmogelijkheden, was klaagster door haar psychische toestand hier niet toe te motiveren. Klaagster heeft tijdens haar verblijf in de inrichting geweigerd om te worden behandeld. De psychiater heeft om die reden een aanvraag gedaan tot overplaatsing van klaagster naar een Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC), waar zij inmiddels wordt behandeld.
Het hoofd zorg heeft in het bijzijn van de psychiater met klaagster gesproken en de procedure met betrekking tot een euthanasieaanvraag en een mogelijke second opinion uitgelegd. Klaagster meende dat enkel het hoofd zorg toestemming dient te verlenen voor euthanasie. Aan haar is uitgelegd dat het hoofd zorg daartoe niet bevoegd is. De euthanasiewens van klaagster is serieus genomen en de medisch specialisten van de inrichting hebben zorgvuldig gehandeld.
3. De beoordeling
In de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) staan de zorgvuldigheidseisen waaraan moet zijn voldaan om op het verzoek tot levensbeëindiging in te gaan. In artikel 2 van de Wtl is onder meer bepaald dat de arts de overtuiging heeft gekregen dat er sprake is van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt, dat sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden en dat er voor de situatie waarin de patiënt zich bevindt geen redelijke andere oplossing is. Een arts is niet verplicht om aan het verzoek van de patiënt gehoor te geven, wel om het serieus te nemen.
Uit de stukken, waaronder het medisch dossier, maakt de beroepscommissie op dat klaagsters euthanasiewens lijkt voort te komen uit psychisch lijden, waarvoor nog behandeling mogelijk is. Klaagster had nog geen behandeling voor haar psychische problematiek ondergaan. De inrichtingspsychiater heeft met klaagster besproken dat er eerst gekeken diende te worden naar behandelmogelijkheden, voordat euthanasie overwogen zou kunnen worden. Klaagster weigerde echter om behandeld te worden. De psychiater heeft daarom verzocht om haar over te plaatsen naar een PPC, waar zij inmiddels wordt behandeld.
Verder komt uit de stukken naar voren dat het hoofd zorg tijdens het voorbemiddelingsgesprek aan klaagster heeft uitgelegd dat zij recht heeft op een second opinion, dat zij zelf mag bepalen welke arts zij wil raadplegen en dat de inrichting vervolgens de raadpleging van die arts zal faciliteren. Ook heeft het hoofd zorg aangegeven dat klaagsters casemanager en het re-integratiecentrum haar hierbij kunnen begeleiden.
De beroepscommissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat klaagster onder de aandacht van de psychiater is geweest, haar verzoek serieus is genomen, met haar daarover is gecommuniceerd, en dat niet is gebleken van onzorgvuldig handelen. Voorts is niet aannemelijk geworden dat klaagster het raadplegen van een externe arts in verband met haar euthanasiewens is ontzegd.
Gelet op het voorgaande kan het handelen van de inrichtingsarts niet worden aangemerkt als in strijd met de norm zoals bedoeld in artikel 71f, derde lid, onder a. of b., van de Penitentiaire beginselenwet. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.
4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 30 januari 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. G.C. Bos, voorzitter, drs. B.A. Geurts en drs. N.C.J.A.M. Kochx, leden, bijgestaan door mr. G.J.M. Ankersmit, secretaris.
secretaris voorzitter