Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 24/39173/TB (wraking), 19 september 2024, beroep
Uitspraakdatum:19-09-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          24/39173/TB (wraking)

Betreft verzoeker

Datum 19 september 2024

 

Uitspraak van de wrakingskamer uit de RSJ, zoals bedoeld in artikel 31 van de Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming 2015 (hierna: de Instellingswet)

 

1. De procedure

verzoeker (hierna: verzoeker) verzoekt om wraking van de beroepscommissie.

De wrakingskamer heeft verzoeker, zijn raadsvrouw mr. J.H. Rump en de beroepscommissie in de gelegenheid gesteld om hun opmerkingen schriftelijk kenbaar te maken.

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de gemaakte opmerkingen.

 

2. De beoordeling

Verzoeker verzoekt om wraking van de beroepscommissie en heeft dat als volgt, zakelijk weergegeven, toegelicht. Verzoeker heeft het recht om in persoon (lijfelijk aanwezig) te worden gehoord. Er was vervoer geregeld om naar de zitting van de beroepscommissie te gaan, maar verzoeker vond het tijdstip (09.00 uur) veel te vroeg. Verzoeker heeft niet geweigerd om in te stappen, maar aangegeven dat hij niet eerder dan rond 11.00 uur vervoerd wilde worden. De Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) wilde niet tot dit tijdstip wachten en is weggereden. Zij kwamen desgevraagd niet meer terug rond 11.00 uur en er werd ook geen andere ploeg gestuurd.

Via zijn raadsvrouw, mr. J.H. Rump, heeft verzoeker een aanhoudingsverzoek gedaan voor de behandeling ter zitting nu hij hierdoor niet aanwezig kon zijn. Dit verzoek is door de beroepscommissie afgewezen. Verzoekers raadsvrouw deelde verzoeker mee dat de beroepscommissie het beroep telefonisch wilde afhandelen, maar dat zij nogmaals ter plekke om aanhouding zou verzoeken. Verzoeker heeft haar te kennen gegeven niet akkoord te gaan met een telefonische afhandeling en de commissieleden te zullen wraken wanneer de beklagzaak niet zou worden aangehouden. Het aanhoudingsverzoek is ter zitting door de raadsvrouw herhaald, maar ook dat is afgewezen. Verzoeker kan zich hier niet in vinden.

Verzoeker vindt het tijdstip van vervoer onredelijk. Ook vindt verzoeker het vervoer en de wachtruimte niet comfortabel. Daarnaast is verzoeker een roker en roken wordt hem op zo’n zittingsdag gedurende meerdere uren belet. Roken zou een positieve werking op verzoeker hebben, het kalmeert hem/brengt rust.

Verzoeker acht eerlijk en oprecht zijn van groot belang. Naast wat er door iemand wordt gezegd, zegt lichaamstaal ook veel. Dit vindt verzoeker van belang naast woorden.

De ambtelijke molen verliest de menselijke factoren almaar meer uit het oog.

Het vervoersprobleem is al heel lang bekend, dit is anderhalf a twee jaar geleden nog ruimschoots in de media geweest. Er zijn beloftes gedaan dat het vervoer voortaan harmonisch aansluit op zittingen. Waar dienen die afspraken en beloftes voor als ze niet worden nagekomen. De RSJ ondermijnt dit allemaal. Verzoeker acht dit mensonwaardig.

De beroepscommissie heeft niet in de wraking berust en verwijst naar de uitgebreide weergave van de feitelijke gang van zaken in het proces-verbaal van de zitting.

Uit dat proces-verbaal komt naar voren dat verzoeker in de ochtend van 9 augustus 2024, de zittingsdag, telefonisch aan zijn raadsvrouw kenbaar heeft gemaakt dat DV&O die ochtend om 09.00 uur bij de instelling van zijn verblijf aanwezig was om hem te vervoeren naar de zittingslocatie. Verzoeker wilde niet op dat vroege tijdstip al op transport naar de zittingslocatie, te meer omdat de afstand daarnaar toe klein is en de behandeling ter zitting pas om 13.25 uur zou aanvangen. Verzoeker is niet ingestapt en DV&O is zonder hem vertrokken. Verzoeker wilde alsnog de zitting in persoon bijwonen en om die reden heeft de raadsvrouw namens verzoeker verzocht of er alsnog transport geregeld kon worden. Mocht dat niet mogelijk zijn, dan werd verzocht om de behandeling van zijn beroepszaak ter zitting aan te houden. De beroepscommissie heeft vervolgens van een medewerker procesondersteuning van de RSJ vernomen dat het niet mogelijk is om op een dergelijke korte termijn nog vervoer voor klager te regelen. Bovendien heeft de beroepscommissie geen invloed op de planning van het transport van DV&O. Gezien het vorenstaande en gelet op het feit dat klager ter zitting had kunnen verschijnen nu er reeds vervoer van DV&O voor hem was geregeld en hij omwille van het tijdstip van het vervoer – wat de beroepscommissie niet onredelijk vroeg acht – ervoor heeft gekozen niet in te stappen, heeft de beroepscommissie besloten het aanhoudingsverzoek af te wijzen. Voorts heeft de beroepscommissie besloten om klager tegemoet te komen in zijn wens bij de zitting aanwezig te zijn door hem telefonisch te horen (mits dat met behulp van de instelling waar klager verblijft bewerkstelligd zou kunnen worden). Klagers raadsvrouw, die onderweg was naar de zittingslocatie, is hierover geïnformeerd. De raadsvrouw was door drukte op de weg verlaat op de zitting aanwezig. De instelling is verzocht verzoeker hierover te informeren. Toen de behandeling ter zitting was aangevangen, is door de secretaris telefonisch contact gelegd met de instelling om verzoeker te doen horen. De raadsvrouw is door de voorzitter van de beroepscommissie eerst nog in de gelegenheid gesteld om met verzoeker onder vier ogen telefonisch overleg te plegen.

Na het openen van het onderzoek ter zitting heeft de voorzitter het woord aan verzoeker gegeven. Verzoeker heeft kenbaar gemaakt dat hij zich niet kan vinden in het feit dat hij telefonisch wordt gehoord en in de afwijzing van zijn aanhoudingsverzoek. Hij heeft vervolgens nogmaals om aanhouding van de behandeling ter zitting verzocht. De voorzitter heeft daarop aan verzoeker te kennen gegeven dat de beroepscommissie reeds afwijzend op het namens hem ingediende aanhoudingsverzoek heeft beslist en er geen aanleiding is gebleken daarop terug te komen. Verzoeker kon zich daarmee niet verenigen en is overgegaan tot wraking van de beroepscommissie. Hierop heeft de voorzitter de behandeling van het beroep geschorst.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Instellingswet kan een lid of de voorzitter van de beroepscommissie (slechts) worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

De wrakingskamer stelt voorop dat de beroepscommissie uit hoofde van haar aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat zij jegens een partij vooringenomenheid koestert, of dat de vrees van de verzoeker dat hiervan sprake is, objectief gerechtvaardigd is. In het geval van een door de voorzitter en/of beroepscommissie gegeven (motivering van een) beslissing kan de vrees voor vooringenomenheid slechts objectief gerechtvaardigd zijn, indien voor de genomen beslissing redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de voorzitter en/of de beroepscommissie is ingegeven. Het is immers niet aan de wrakingskamer beslissingen van de voorzitter en/of de beroepscommissie inhoudelijk te toetsen. Wraking kan niet als rechtsmiddel tegen onwelgevallige beslissingen fungeren.

De wrakingskamer overweegt dat het tijdstip van vervoer van verzoeker naar de zitting niet zo’n bijzondere omstandigheid oplevert als hiervoor bedoeld. Gebleken is dat de beroepscommissie geen invloed heeft op de planning van DV&O. De overweging van de beroepscommissie dat zij het tijdstip van vervoer niet onredelijk vroeg acht, vormt geen zwaarwegende aanwijzing dat de beroepscommissie jegens verzoeker vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees hiervoor objectief gerechtvaardigd is.

Dat geldt ook voor de afwijzing van de verzoeken om aanhouding van de behandeling ter zitting. Het enkele feit dat voor verzoeker onwelgevallige beslissingen op zijn verzoeken om aanhouding zijn genomen, levert niet een bijzondere omstandigheid op als hiervoor bedoeld. De wrakingskamer neemt daarbij in aanmerking dat er vervoer voor verzoeker was geregeld en dat verzoeker er zelf voor heeft gekozen niet in te stappen. De beroepscommissie is verzoeker tegemoetgekomen in zijn wens om bij de zitting aanwezig te zijn door hem telefonisch te willen horen en heeft verzoeker en zijn raadsvrouw voorafgaand aan de zitting in de gelegenheid gesteld om onder vier ogen telefonisch overleg te plegen.

Naar het oordeel van de wrakingskamer is er geen sprake van beslissingen waarvoor redelijkerwijze geen ander verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de beroepscommissie zijn ingegeven. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.

 

3. De uitspraak

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking van de beroepscommissie af.

 

Deze uitspraak is op 19 september 2024 gedaan door mr. W.S. Korteling, voorzitter, mr. F.H.J. van Gaal en mr. A.M.G. Smit, leden, bijgestaan door mr. S. Jousma, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven