Nummer 25/49857/GB (wraking)
Betreft verzoeker
Datum 27 januari 2026
Uitspraak van de wrakingskamer uit de RSJ, zoals bedoeld in artikel 31 van de Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (RSJ) 2015 (hierna: de Instellingswet)
1. De procedure
verzoeker (hierna: verzoeker) verzoekt om wraking van de beroepscommissie, subsidiair van de voorzitter van de beroepscommissie, belast met de behandeling van het beroep van verzoeker tegen de beslissing van 24 juni 2025 tot verlenging van zijn verblijf in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) van de PI Vught met twaalf maanden (25/49857/GB).
De wrakingskamer heeft verzoeker, zijn raadsman mr. T.S. van der Horst en de beroepscommissie in de gelegenheid gesteld schriftelijk opmerkingen kenbaar te maken.
De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de gemaakte opmerkingen.
Feitelijke gang van zaken
Tegen de beslissing van 24 juni 2025 heeft mr. Van der Horst namens verzoeker beroep ingesteld. De coördinator rechtspraak van de RSJ heeft per e‑mail van 11 november 2025 bericht dat de behandeling van dit beroep, met kenmerk 25/49857/GB, plaatsvindt op een (digitale) zitting van de beroepscommissie op 5 december 2025.
In een e‑mail van 28 november 2025 heeft mr. Van der Horst de beroepscommissie verzocht ‘om het belang van mijn betrokkenheid in deze procedure te benadrukken, alsmede het belang dat spoedig wordt besloten om vertrouwelijk overleg toe te staan’.
Hij heeft daarbij het volgende aangevoerd. Per 1 november 2025 is een wijziging van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) van kracht geworden, waardoor het voor hem, mr. Van der Horst, niet (meer) mogelijk is om vertrouwelijk met verzoeker te overleggen. Verzoeker heeft vooruitlopend op de wijziging van de Pbw op 28 oktober 2025 bij de directeur‑generaal van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) een verzoek ingediend om mr. Van der Horst aan te wijzen als extra rechtsbijstandverlener in de zin van artikel 40a, zesde lid, van de Pbw, onder meer vanwege de lopende beroepsprocedure en de aanstaande zitting. Als bijlagen zijn toegevoegd verklaringen van de twee door verzoeker aangewezen rechtsbijstandverleners (advocaat 1 en advocaat 2), inhoudende dat zij niet over de juiste kennis en kunde beschikken om verzoeker bij te staan in detentie‑gerelateerde procedures. Op het verzoek mr. Van der Horst toe te voegen als extra rechtsbijstandverlener heeft de bewindspersoon dan nog niet beslist.
Verzoeker wil in zaak 25/49857/GB worden bijgestaan door mr. Van der Horst. Het verweerschrift is na 1 november 2025 aan mr. Van der Horst verzonden, maar zij hebben over het verweerschrift nog geen vertrouwelijk overleg kunnen voeren. Met zijn verzoek hoopt mr. Van der Horst aanhouding van de behandeling van het beroep te voorkomen. Een bericht van de RSJ zou hij met het oog op het verzoek op grond van artikel 40a, zesde lid, van de Pbw aan de directeur‑generaal van de DJI kunnen toezenden.
In een e‑mail van 1 december 2025 heeft de secretaris rechtspraak van de RSJ aan mr. Van der Horst als reactie op de e‑mail van 28 november 2025 laten weten: ‘Uw e‑mail van 28 november 2025 is in goede orde ontvangen. Nu is gebleken dat u van klager geen rechtsbijstandverlener bent zoals bedoeld in artikel 40a, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet, staat u op dit moment niet meer geregistreerd als klagers rechtsbijstandverlener in deze zaak.
Namens de voorzitter van de beroepscommissie laat ik u weten dat uw verzoek om het belang van uw betrokkenheid in deze procedure te benadrukken, alsmede het belang dat spoedig wordt besloten om vertrouwelijk overleg toe te staan, niet kan worden ingewilligd’.
In een e-mail van gelijke datum heeft mr. Van der Horst gereageerd en verzocht om aanhouding, voor zover hij door de directeur‑generaal van de DJI, de directeur van de PI Vught en/of de selectiefunctionaris niet in staat wordt gesteld om het verweerschrift voorafgaand aan de zitting op 5 december 2025 met zijn cliënt te bespreken en aan hem geen toestemming wordt gegeven om als aangewezen advocaat aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling van het beroep. In het e‑mailbericht heeft mr. Van der Horst erop gewezen dat het de wens van verzoeker is om door hem te worden bijgestaan, dat verzoeker gelet op artikel 65, eerste lid, in verbinding met artikel 73, vierde lid, van de Pbw het recht heeft om te worden bijgestaan door een zelfgekozen advocaat en dat er geen wettelijke basis is voor de beslissing om hem niet meer als advocaat te registeren. Dat namens de bevoegde bewindspersoon nog niet is beslist op het verzoek op grond van artikel 40a, zesde lid van de Pbw, kan verzoeker niet worden tegengeworpen.
Bij brief van 2 december 2025 heeft (advocaat 1) namens verzoeker het wrakingsverzoek ingediend.
Redenen voor het verzoek
Gelet op de aard en impact van de beslissing van 1 december 2025 van (de voorzitter van) de beroepscommissie, die erop neerkomt dat verzoeker niet langer door mr. Van der Horst kan worden bijgestaan, en in aanmerking genomen dat verzoeker de Nederlandse taal en het relevante juridische kader niet voldoende begrijpt, toont deze beslissing dat de leden van de beroepscommissie vooringenomen zijn. In ieder geval is de beslissing van 1 december 2025 zodanig onbegrijpelijk, want niet in overeenstemming met de Pbw en in strijd met het grondrecht van vrije advocaatkeuze, dat redelijkerwijs daarvoor geen andere verklaring is te geven dan dat de leden van de beroepscommissie en in elk geval haar voorzitter vooringenomen zijn (RSJ 6 september 2018, 16/2073/GA (wraking)).
Bij brief van 24 december 2025 heeft mr. Van der Horst het wrakingsverzoek nader toegelicht.
Het bericht van 1 december 2025, en in het bijzonder de beslissing dat mr. Van der Horst op dat moment niet meer geregistreerd staat als klagers rechtshulpverlener, biedt een objectieve rechtvaardiging voor de (subjectieve) vrees van verzoeker dat in ieder geval de voorzitter van de beroepscommissie een vooringenomenheid koestert. Met de beslissing dat verzoeker niet langer kan worden bijgestaan door de door hem gekozen en in de beroepsprocedure betrokken advocaat, is een inhoudelijk oordeel gegeven over de procesvertegenwoordiging. De beslissing om de raadsman te ‘ontkoppelen’ is zodanig onbegrijpelijk dat zij door vooringenomenheid moet zijn ingegeven. Dit klemt te meer, omdat (de voorzitter van) de beroepscommissie niet meer inhoudelijk heeft gereageerd op het e-mailbericht van 1 december 2025 waarin hij namens verzoeker heeft gewezen op het ontbreken van een juridische basis voor het ‘ontkoppelen’ van hem als rechtsbijstandsverlener. Ook het niet willen heroverwegen en/of nader toelichten van de beslissing, levert een bijdrage aan de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.
Reactie beroepscommissie
De beroepscommissie heeft niet in de wraking berust. De voorzitter van de beroepscommissie heeft mede namens de andere leden van de beroepscommissie naar voren gebracht dat het verzoek met toelichting in de kern gaat over de uitleg en de gevolgen van het nieuwe artikel 40a van de Pbw. De beslissingen van de (voorzitter van de) beroepscommissie hierover in zaak 25/49857/GB zijn procedureel van aard. Mede gelet op de bedoeling van de wetgever met dit artikel, kunnen zij niet als zodanig onbegrijpelijk worden aangemerkt dat hieruit de schijn van vooringenomenheid of partijdigheid blijkt. De leden van de beroepscommissie hebben verzocht het verzoek af te wijzen.
2. De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Instellingswet kan elk van de leden van de beroepscommissie worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Overwegingen wrakingskamer
De wrakingskamer stelt voorop dat de leden van de beroepscommissie uit hoofde van hun aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat zij jegens een partij vooringenomenheid koesteren, of dat de vrees van de verzoeker dat hiervan sprake is, objectief is gerechtvaardigd.
Een (tussen)beslissing van de beroepscommissie, waaronder een procedurebeslissing, kan als zodanig nooit grond vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van een (tussen)beslissing van de beroepscommissie. Ook de motivering van een (tussen)beslissing van de beroepscommissie kan in beginsel geen grond voor wraking vormen, ook als het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is alleen dan anders als de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte woorden, niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid van de beroepscommissie of haar voorzitter die de beslissing heeft gegeven. (Vergelijk RSJ 6 september 2018, 16/2073/GA (wraking) en HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413)
Het verzoek om wraking heeft betrekking op het e‑mailbericht van 1 december 2025 van de secretaris rechtspraak van de RSJ en de daarin weergegeven beslissingen die aan de beroepscommissie of haar voorzitter die op 5 december 2025 het beroep met kenmerk 25/49857/GB zou behandelen, worden toegeschreven. Vaststaat dat verzoeker, die is gedetineerd in de EBI, mr. Van der Horst niet heeft opgegeven aan de directeur van de PI Vught als een van de twee rechtsbijstandverleners die toegang hebben tot verzoeker als bedoeld in artikel 40a, eerste lid, van de Pbw en dat de bewindspersoon op dat moment nog geen beslissing had genomen op het verzoek van verzoeker op grond van artikel 40a, zesde lid, van de Pbw tot het toestaan dat hij daarnaast ook mr. Van der Horst aanwijst als rechtsbijstandverlener die in de EBI toegang heeft tot hem.
De in het e-mailbericht van 1 december 2025 vervatte beslissingen om mr. Van der Horst niet meer te registeren als verzoekers rechtsbijstandverlener en de verzoeken om ‘het belang van [zijn] betrokkenheid in deze procedure te benadrukken, alsmede het belang dat spoedig wordt besloten om vertrouwelijk overleg toe te staan’ niet in te willigen, leveren naar het oordeel van de wrakingskamer geen zwaarwegende aanwijzingen op voor het oordeel dat de beroepscommissie of haar voorzitter jegens verzoeker vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees hiervoor objectief is gerechtvaardigd. Het zijn beslissingen van (de voorzitter van) de beroepscommissie die geen grond kunnen vormen voor wraking: wraking is zoals gezegd geen verkapt rechtsmiddel. Ook is het naar het oordeel van de wrakingskamer niet zo dat de in de e‑mail van 1 december 2025 namens de voorzitter van de beroepscommissie vermelde motivering van de betreffende beslissingen of het ontbreken van een motivering – in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, ook gelet op de gebruikte woorden – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de beroepscommissie of haar voorzitter. Van belang hierbij is ook dat mr. Van der Horst niet is opgegeven als een van de twee rechtsbijstandverleners die toegang hebben tot verzoeker en dat de bewindspersoon nog geen beslissing had genomen op het verzoek tot het toestaan dat ook mr. Van der Horst wordt aangewezen als rechtsbijstandverlener die in de EBI toegang tot verzoeker heeft.
De wrakingskamer komt tot de conclusie dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan de onpartijdigheid van de leden van de beroepscommissie die op 5 december 2025 het beroep met kenmerk 25/49857/GB zouden behandelen, schade zou kunnen lijden. Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.
3. De uitspraak
De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.
Deze uitspraak is op 27 januari 2026 gedaan door mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter, mr. M.J.H. van den Hombergh en drs. W.M. van der Vlist, leden, bijgestaan door mr. S. Jousma, secretaris.
secretaris voorzitter