Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/47475/GA, 18 mei 2026, beroep
Uitspraakdatum:18-05-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/47475/GA

Betreft  [klager]

Datum  18 mei 2026

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen:

  1. het tweemaal niet afsluiten van zijn celdeur op onder meer 5 augustus 2024
    (IJ-2024-1022);
  2. het voor de derde keer niet afsluiten van zijn celdeur op onder andere 23 augustus 2024 (IJ‑2024-1100);
  3. een ordemaatregel van uitsluiting van deelname aan activiteiten, voor de duur van veertien dagen, in verband met klagers veiligheid en het doen van onderzoek naar de situatie, ingaande op 9 september 2024 (IJ‑2024-1141);
  4. een ordemaatregel van plaatsing in afzondering in een afzonderingscel, met cameratoezicht, voor de duur van zeven dagen, vanwege klagers gemoedstoestand, ingaande op 21 oktober 2024 (IJ-2024-1344);
  5. tegen nalatig handelen van het afdelingshoofd, doordat zij niet heeft kunnen voorkomen dat klager is aangevallen (IJ-2024-1164);
  6. tegen nalatig handelen van het afdelingshoofd, doordat zij niet heeft kunnen voorkomen dat klager is aangevallen (IJ-2024-1166).

De beklagcommissie bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Krimpen aan den IJssel heeft op 31 maart 2025 de klachten ongegrond verklaard. De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

Klagers raadsman, mr. M. de Reus, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, mr. B.M. Loef, waarneemster en kantoorgenoot van klagers raadsman, en de plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de PI Krimpen aan den IJssel, gehoord op de digitale zitting van 25 november 2025. Klager bevindt zich inmiddels in vrijheid. De beroepscommissie heeft aangegeven dat hij eveneens digitaal aan de zitting kan deelnemen, door fysiek bij zijn raadsman aanwezig te zijn. Mr. B.M. Loef heeft aangegeven dat klager van die mogelijkheid geen gebruik wenste te maken.

 

2. De beoordeling

Beklag a. en b.

Klager stelt dat bij terugkomst van het luchtmoment op 5 augustus 2024 en bij terugkomst van zijn bezoek aan de imam op 23 augustus 2024 zijn celdeur niet goed afgesloten was. Volgens klager doet het personeel zijn celdeur niet goed op slot en is het in totaal al drie keer misgegaan.

Het niet op slot doen van klagers celdeur kan gelijk worden gesteld met een beslissing van de directeur, zoals bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw), als sprake is van een beklag met voldoende belang voor de gedetineerde. Daarvan is in beginsel slechts sprake wanneer de directeur volgens de gedetineerde jegens hem “structureel en in belangrijke mate tekortschiet in zijn verzorgende taken” (Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 76).

Het gestelde probleem moet zich naar het oordeel van de beroepscommissie (als meest algemene uitgangspunt) in beginsel minimaal drie keer in drie maanden – voorafgaand aan het beklag – hebben voorgedaan, om te kunnen spreken van mogelijk ‘structureel tekortschieten’. Dat is echter mede afhankelijk van de aard en ernst (c.q. belangrijkheid) van het probleem. Als voldoende belang bij het beklag ontbreekt – wat dus losstaat van de vraag of het feitelijk klopt wat de gedetineerde heeft gesteld – dan moet de gedetineerde niet‑ontvankelijk in zijn beklag worden verklaard.

In de door klager gestelde omstandigheden, zou het in totaal drie keer niet op slot doen van de celdeur in ongeveer een maand tijd geen structurele en belangrijke tekortkoming in de verzorgende taken van de directeur kunnen zijn. Het personeel opent en sluit dagelijks vele celdeuren. Daarom heeft klager onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beklag. De beroepscommissie miskent daarbij niet dat dit een vervelende situatie voor klager heeft opgeleverd.

Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre vernietigen en klager alsnog niet-ontvankelijk verklaren in beklag a. en b.

Beklag c. en d.

Op basis van de stukken en van wat ter zitting is besproken, is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie beklag c. en d. terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard. De beroepscommissie ziet in dit geval geen aanleiding om de overwegingen van de beklagcommissie aan te vullen of te wijzigen.

Beklag e. en f.

Klager is – naar aanleiding van een incident – overgeplaatst naar een andere afdeling. Volgens klager had het afdelingshoofd kunnen en moeten voorkomen dat hij werd aangevallen, nu hij al eerder had aangeven dat hij zich onveilig voelde.

Nalatigheid van het personeel kan gelijk worden gesteld met een beslissing van de directeur, zoals bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Pbw, als sprake is van een beklag met voldoende belang voor de gedetineerde. Daarvan is in beginsel slechts sprake wanneer de directeur volgens de gedetineerde jegens hem “structureel en in belangrijke mate tekortschiet in zijn verzorgende taken” (Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 76).

Hoewel klager in het algemeen stelt dat hij eerder heeft aangegeven zich onveilig te voelen, is het onduidelijk wanneer of in welke periode het volgens klager (eerder) mis is gegaan. Dat maakt in dit geval dat niet kan worden beoordeeld of er mogelijk sprake is van een structurele en belangrijke tekortkoming. Naar het oordeel van de beroepscommissie zijn de klaagschriften onvoldoende nauwkeurig (zoals bedoeld in artikel 61, derde lid, van de Pbw). Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre vernietigen en klager alsnog niet-ontvankelijk verklaren in beklag e. en f.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie inzake beklag a., b., e. en f. en verklaart klager alsnog niet-ontvankelijk in deze klachten.

De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag c. en d. ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie.

 

Deze uitspraak is op 18 mei 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. M. Iedema, voorzitter, mr. J.J. Klomp en drs. P.Th.H. Richelle, leden, bijgestaan door mr. L.A.E. Rijnja, secretaris.

 

secretaris         voorzitter

Naar boven