Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/47818/TA, 20 april 2026, beroep
Uitspraakdatum:20-04-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/47818/TA

Betreft             [Klager]

Datum             20 april 2026

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [Klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft (voor zover in beroep aan de orde) beklag ingesteld tegen:

a. de maatregel toezicht op post per 14 oktober 2024 (PZ 2024/54);

b. de verlenging van de afzonderingsmaatregel per 14 oktober 2024 (PZ 2024/55);

c. het opnieuw screenen van klagers netwerk (PZ 2024/63);

d. de maatregel toezicht op post van 8 december 2024 (PZ 2024/71);

e. de verlenging van de afzonderingsmaatregel per 9 december 2024 (PZ 2024/76);

f. de verlenging van de afzonderingsmaatregel per 6 januari 2025 (PZ 2025/8);

g. klagers behandeling (PZ 2025/9);

h. het voortduren van de inbeslagname van klagers eigendommen (PZ 2025/19).

De beklagcommissie bij FPC Pompestichting te Nijmegen (hierna: de instelling) heeft op
15 april 2025 klager niet-ontvankelijk verklaard in het beklag onder g., de klachten onder
a. en d. formeel gegrond en materieel ongegrond verklaard en de klachten onder b., c., e., f. en h. ongegrond verklaard. De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

Klagers raadsvrouw, mr. I.A.C. van Mulbregt, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager en zijn raadsvrouw gehoord op de digitale zitting van 21 november 2025. Mr. I.J.M.W. van der Sanden, secretaris bij de RSJ, was als toehoorder aanwezig.

Het hoofd van de instelling heeft schriftelijk laten weten niet op de zitting te verschijnen. Het hoofd van de instelling is daarbij ten onrechte ervan uitgegaan dat het beroep van klager niet van gronden was voorzien. Aan het hoofd van de instelling zijn na de zitting (opnieuw) de gronden van beroep gestuurd en een verslag van horen van de zitting. Het hoofd van de instelling heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna klager en diens raadsvrouw in de gelegenheid zijn gesteld om op deze reactie binnen een daarvoor gestelde termijn schriftelijk te reageren. De raadsvrouw heeft van deze mogelijkheid gebruikgemaakt. De reactie van de raadsvrouw is ter kennisneming doorgestuurd aan de instelling.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Klager is lange tijd beperkt in verschillende vrijheden, omdat de instelling vermoedde dat hij een ontvluchtingspoging aan het voorbereiden was. Dit is altijd door klager betwist. Het langdurig opleggen van verschillende maatregelen is zowel niet noodzakelijk als niet proportioneel geweest. Daarnaast hebben de maatregelen te lang voortgeduurd. Uit het onderzoek dat de instelling heeft gedaan zijn slechts beperkte aanwijzingen gekomen. De maatregelen zijn ook onvoldoende gemotiveerd en dan in het bijzonder de duur van de maatregelen. De proportionaliteit en de duur van de maatregelen is door de beklagcommissie onvoldoende betrokken in de beslissing, terwijl de maatregelen wel van invloed zijn geweest op de tbs-verlenging van klager en de voortduring van klagers LFPZ-status.

In reactie op de schriftelijke reactie van de instelling na de zitting stelt klager dat hij van de inbeslaggenomen goederen een blokje hout met een koordje, een HDMI-splitter en bankgegevens heeft teruggekregen. Hij heeft van de landkaart en de stadsplattegrond aangegeven dat hij deze niet meer terug hoeft te hebben. De instelling heeft nog een boek met adresgegevens van zijn familie en afschriften van transportbedrijven waar klager zou kunnen solliciteren mocht zijn tbs-maatregel beëindigd worden. Klager wil deze stukken graag terug. Het is niet duidelijk waarom zo lang wordt gewacht met het geven van een beslissing hierover en ook niet wanneer hij deze kan verwachten.

Klager heeft zich meewerkend opgesteld, ondanks dat hij ten onrechte is beschuldigd van het hebben van ontsnappingsplannen. Het is begrijpelijk dat de instelling met een bepaalde voorzichtigheid moet handelen als dergelijke vermoedens ontstaan en dat vrijheden nadien zorgvuldig moeten worden opgebouwd. Toch legitimeert dit niet een zodanig ernstige inbreuk op de vrijheid van klager voor deze lange duur.

Het beroep dient daarom gegrond verklaard te worden en aan klager dient een tegemoetkoming te worden toegekend.

Standpunt van het hoofd van de instelling

In beroep wordt verwezen naar wat eerder in de schorsingsprocedures en de beklagprocedure is aangevoerd. Aanvullend daarop wordt benadrukt dat sprake was van een forse verdenking dat klager mogelijk ontvluchtingsplannen had. Het inschatten van de risico's en het waarborgen van de veiligheid voor klager zelf, zijn medeverpleegden, het personeel en de maatschappij staat voorop en is leidend. Het behandelteam heeft het noodzakelijk geacht om de bestreden maatregelen te verlengen om zo het risicomanagement te kunnen hanteren. De constateringen en signalen hebben genoodzaakt alles zorgvuldig uit te zoeken en alle signalen goed te wegen. Het risicomanagement moest opnieuw worden beoordeeld en onder een vergrootglas worden gehouden. Het vertrouwen in klager was ernstig geschaad en het heeft tijd nodig gehad om het vertrouwen te herstellen. Vertrouwen moet groeien aan de hand van bestendig gedrag en stapsgewijze uitbreidingen waarna steeds na elke uitbreiding opnieuw wordt beoordeeld of en wanneer weer een volgende stap kan worden genomen. Dit proces heeft tijd nodig om op een verantwoorde manier tot uitbreiding en in samenwerking te komen. Vanuit het behandelteam zijn de aan klager opgelegde beperkingen als noodzakelijk beoordeeld.

Wat betreft de in beslag genomen goederen heeft klager aangegeven bepaalde goederen niet meer terug te hoeven en is een deel al teruggegeven. Over de overige goederen wordt door het behandelteam nog een beslissing genomen of klager deze terug kan krijgen.

Wat betreft het standpunt van klager dat de maatregelen van invloed zijn geweest op zijn tbs-verlenging en de voortduring van zijn LFPZ-status, heeft dit niet één op één verband met elkaar. Van belang hierin is dat klagers problematiek onvoldoende behandelbaar is en de problematiek nog steeds actueel is, er is nog steeds sprake van een hoog recidiverisico. Het beroep dient dan ook ongegrond verklaard te worden.

 

3. De beoordeling

Uit de stukken en wat ter zitting is besproken, komt naar voren dat in augustus 2024 bij het behandelteam sterke vermoedens zijn ontstaan dat klager bezig was met het plannen van een ontvluchting. Op klagers kamer zijn onder meer briefjes met namen, telefoonnummers en adressen van niet gescreende contacten, een stadsplattegrond van Almere met cirkels om diverse plekken en kruisjes bij specifieke woonadressen, een landkaart van Nederland met cirkels om diverse plekken, memobriefjes met termen als 'zeecontainer' met een familienaam en een cijfer, gegevens van transportbedrijven, briefjes met allerlei verschillende emailadressen met klagers naam er in, allerlei websites (waaronder een website met legerkleding), een ansichtkaart met op de achterkant twee namen van oud-verpleegden van de instelling en een briefje waarop staat 'simkaart Hema €1,-, mobiel kopen tijdens verlof' aangetroffen. Verder zijn adresgegevens en namen van oud-medewerkers van een andere instelling aangetroffen. Het was voor de instelling niet duidelijk hoe klager aan de aangetroffen spullen is gekomen of wat zijn bedoeling hiermee was. Klager heeft hierover geen openheid gegeven noch consistent over verklaard en ontkent ontvluchtingsplannen te hebben (gehad).

Beklag g. (klagers behandeling)

Beklag g. ziet op de behandeling van klager en het voor hem ontbreken van kwaliteit van leven. De beroepscommissie is van oordeel dat de beklagcommissie klager terecht niet-ontvankelijk in beklag g. heeft verklaard. Overigens staat de wijze waarop invulling wordt gegeven aan een tbs-behandeling niet ter beoordeling van de beroepscommissie. Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard.

Beklag a. en d. (toezicht op post)

De beroepscommissie is van oordeel dat de beklagcommissie beklag a. en d. terecht ongegrond heeft verklaard. Gelet op de verdenking dat klager mogelijk ontvluchtingsplannen had, heeft het hoofd van de instelling in redelijkheid kunnen besluiten om toezicht te houden op klagers post. Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard.

Beklag c. (het opnieuw screenen van klagers netwerk)

De beroepscommissie is van oordeel dat de beklagcommissie beklag c. terecht ongegrond heeft verklaard. Gelet op de verdenking dat klager mogelijk ontvluchtingsplannen had en de rol die zijn netwerk mogelijk hierin heeft gespeeld, kan de beslissing van het hoofd van de instelling om klagers netwerk opnieuw te screenen niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard.

Beklag h. (voortduren inbeslagname van klagers eigendommen)

Vanwege de verdenking dat klager mogelijk ontvluchtingsplannen had, zijn diverse eigendommen van klager in beslag genomen. Inmiddels heeft klager een deel van zijn spullen teruggekregen of aangegeven bepaalde spullen niet terug te hoeven. Over de overige eigendommen dient nog een beslissing te worden genomen. De beroepscommissie is van oordeel dat de beslissing van het hoofd van de instelling tot inbeslagname van klagers eigendommen en de voortduring van een deel ervan niet als onredelijk of onbillijk aangemerkt kan worden. Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard. De beroepscommissie gaat ervan uit dat de instelling binnen afzienbare tijd een beslissing zal nemen over de eigendommen van klager die nog niet zijn teruggegeven.

Beklag b., e. en f. (voortduring van de afzonderingsmaatregel)

In beroep is aan de orde of het hoofd van de instelling in redelijkheid op 14 oktober 2024, 9 december 2024 en 6 januari 2025 de aan klager opgelegde afzonderingsmaatregel heeft kunnen verlengen.

Op basis van de stukken en wat ter zitting is besproken, is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie beklag b. en e. terecht ongegrond heeft verklaard. Uit de schriftelijke mededelingen van de bestreden maatregelen van 14 oktober en 9 december 2024 komt naar voren dat het aan klager geboden programma gedurende de afzonderingsmaatregel niet altijd goed is verlopen. Klager zou tijdens de aan hem geboden uitsluitmomenten hebben geprobeerd ruimte te zoeken bij onbekend personeel op de afdeling, waardoor het behandelteam vermoedde dat klager dit personeel wilde uittesten. Ook zou klager hebben geprobeerd tegen de regels in onbegeleid te bellen met zijn netwerk en de afdeling op te gaan waar dat nog niet was opgenomen in zijn programma. De afzonderingsmaatregel is aan klager opgelegd ter handhaving van de orde en veiligheid in de instelling. Het vertrouwen in klager was geschaad, vanwege de verdenking dat hij mogelijk ontvluchtingsplannen had en moest hersteld worden.

De beroepscommissie is met de beklagcommissie van oordeel dat het hoofd van de instelling op 14 oktober en 9 december 2024 in redelijkheid tot voortzetting van de maatregelen heeft kunnen besluiten om tot een vorm van samenwerking met klager te kunnen komen en het geschonden vertrouwen in klager weer te kunnen herstellen.

Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard.

Dat is echter anders voor de beslissing tot verlenging van de afzonderingsmaatregel op 6 januari 2025 (beklag f.). De toelichting op deze beslissing zoals opgenomen in de schriftelijke mededeling komt neer op een herhaling van de onderbouwing van de eerdere beslissingen en volstaat niet. Temeer nu de afzonderingsmaatregel op dat moment al vijf maanden voortduurde. Bij een verregaande beperking van vrijheden die al zo lang duurt, dient aan de hand van actuele feiten en omstandigheden te worden beschreven waarin de noodzaak tot een nieuwe verlenging ligt en welk gedrag de instelling concreet nodig acht om tot beëindiging van de maatregel te komen. De beroepscommissie is van oordeel dat het hoofd van de instelling onvoldoende (nader) heeft toegelicht waarom de afzonderingsmaatregel op 6 januari 2025 moest worden voortgezet. In dit geval zijn door het hoofd van de instelling geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat een eerdere beëindiging niet mogelijk was. Nu de beslissing ontoereikend is gemotiveerd zal het beroep in zoverre gegrond worden verklaard.

Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, moet de beslissing tot verlenging van de afzonderingsmaatregel op 6 januari 2025 van het hoofd van de instelling als onredelijk en onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom in zoverre gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre vernietigen en beklag f. alsnog gegrond verklaren.

Tegemoetkoming

Nu de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan zijn te maken, komt klager een tegemoetkoming toe. De beroepscommissie zal deze vaststellen op €10,- per dag, in totaal €280,-.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie:

- verklaart het beroep inzake beklag a., b., c., d., e., g. en h. ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie;

- verklaart het beroep inzake beklag f. gegrond, vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart dit beklag alsnog gegrond;

- kent aan klager een tegemoetkoming toe van €280,-.

 

Deze uitspraak is op 20 april 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. M.J.H. van den Hombergh, voorzitter, M. Bakker MSc en mr. A.B. Baumgarten, leden, bijgestaan door mr. C.K. van Dijk, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven