Nummer 24/45291/GA
Betreft [klager]
Datum 17 maart 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft beklag ingesteld tegen:
- de beslissing om zijn transport naar het ziekenhuis af te zeggen, waardoor een geplande operatie niet kon doorgaan (R-2024-394);
- een disciplinaire straf van vijf dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, zonder televisie, vanwege het bezit van contrabande, ingaande op 30 september 2024 (R-2024-435).
De beklagcommissie bij de locatie Roermond heeft op 12 december 2024 de klachten ongegrond verklaard. De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.
Klagers raadsman, mr. G.A.R. Di Antonio, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en de directeur van de locatie Roermond in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
Klager zou op 20 september 2024 op transport gaan naar het ziekenhuis voor een langverwachte operatie vanwege afgescheurde biceps. Normaliter wordt een gedetineerde voor transport ingesloten en door het personeel op de hoogte gesteld dat hij geen belmoment heeft voor het transport. In geval van klager is dat niet gebeurd. Klager is gezegd dat hij op transport zou gaan en vervolgens mocht hij gewoon de afdeling op. Ook is hij niet geïnformeerd dat hij niet mocht bellen. Toen klager hoorde dat hij op transport zou gaan heeft hij zijn raadsman, die op bezoek zou komen, gebeld om hem in kennis te stellen dat hij die dag afwezig zou zijn. Klager heeft geen contact opgenomen met andere relaties, enkel met zijn advocaat. Toen klager vervolgens op de hoogte werd gesteld dat zijn transport was afgezegd omdat hij had gebeld, gaf hij direct aan dat hij enkel telefonisch contact met zijn raadsman had gehad. Dit had de inrichting direct kunnen controleren nu het nummer van de raadsman bekend is in de inrichting.
De directeur verwijst verder naar de werkinstructie ‘Ziekenhuis: Transport en/of Opname – PI Zuid-Oost’ (hierna: de werkinstructie). Het lijkt hierbij te gaan om een intern beleidsdocument. Het strekt te ver om te stellen dat klager de verantwoordelijkheid had om van deze regeling op de hoogte te zijn. Bovendien volgt hieruit dat het personeel van de inrichting klager na het aanzeggen van het transport had moeten insluiten en moeten informeren dat hij niet mocht bellen. Dit is, zoals gezegd, niet gebeurd. De verantwoordelijkheid voor het incident ligt dus bij (het personeel van) de inrichting, niet bij klager. Het beleid zoals neergelegd in de werkinstructie heeft verder het karakter van een algeheel belverbod, wat in strijd is met artikel 39, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw).
Klager vindt de opgelegde disciplinaire straf disproportioneel. Hij heeft al meermaals aangegeven dat het plaatsen van de magnetron op de koelkast brandgevaar oplevert. Door de hitte van de magnetron smelt de koelkast. De magnetron kan niet verplaatst worden. Daarom heeft klager de brandveiligheid in zijn eigen cel gewaarborgd met de blokken als verhoging tussen de magnetron en koelkast. Klager heeft de blokken van een ex-medegedetineerde gekregen en dus niet zelf weggenomen van de arbeid. Bovendien staan de blokken niet op de lijst met contrabanden zoals vermeld in de Regeling model huisregels penitentiaire inrichtingen. Klager had de blokken in bezit voor het waarborgen van zijn eigen veiligheid.
Klager verzoekt om het beroep mondeling te mogen toelichten.
Standpunt van de directeur
Zoals blijkt uit de werkinstructie informeert een inrichtingswerker de gedetineerde over het transport. De gedetineerde mag vanaf dat moment geen contact meer opnemen met derden. Dat klager na het aanzeggen van transport niet werd ingesloten betreft een aan klager gegeven gunst. Klager heeft onvoldoende verantwoordelijkheid genomen door, zonder toestemming, gebruik te maken van de telefoon. Bij binnenkomst in de inrichting wordt iedere gedetineerde op de hoogte gesteld van alle regelgeving die relevant is binnen de inrichting. Het is dan ook de verantwoordelijkheid van gedetineerden om op de hoogte te zijn van en verantwoordelijk om te gaan met de regels binnen de inrichting.
De aangetroffen blokken staan niet als zodanig op de lijst van contrabanden van de Regeling model huisregels penitentiaire inrichtingen, maar de blokken staan ook niet op de toegestane voorwerpen lijst die is opgenomen in bijlage 6 van de huisregels van de locatie Roermond. Bovendien wordt er in de huisregels expliciet benoemd dat de celinventaris niet mag worden aangevuld met eigen bouwsels. Klager wist of behoorde te weten dat het houden van stenen blokjes onder de magnetron niet toegestaan is. De aangetroffen blokken kunnen als wapen worden gebruikt. De directeur benadrukt dat het bij normaal gebruik van de magnetron niet mogelijk is dat de bovenkant van de koelkast wegsmelt en dat er geen brandgevaar is.
3. De beoordeling
Klager heeft verzocht het beroep mondeling te mogen toelichten. Dit verzoek is niet onderbouwd, terwijl de stukken voldoende informatie bevatten om het beroep te kunnen beoordelen. De beroepscommissie wijst het verzoek daarom af.
Beklag a.
Voor het eerst in beroep heeft klager aangevoerd dat het beleid van de inrichting omtrent telefoneren voorafgaand aan een transport een algeheel belverbod oplevert, wat in strijd zou zijn met artikel 39, derde lid, van de Pbw. Dit valt buiten de reikwijdte van het beklag. De beroepscommissie zal dit daarom buiten beschouwing laten.
Het beklag ziet op de beslissing om klagers transport naar het ziekenhuis af te zeggen, omdat hij voorafgaand het transport telefonisch contact heeft gehad met zijn raadsman. De directeur stelt dat de regel dat een gedetineerde voorafgaande aan een transport wordt ingesloten en geen (telefonisch) contact meer mag opnemen met derden, een voor eenieder in de inrichting geldende regel (een algemene regel) betreft. De verantwoordelijkheid om op de hoogte te zijn van dergelijke regels komt volgens de directeur voor rekening van klager. De directeur verwijst in dit verband naar de huisregels van de locatie Roermond en de werkinstructie voor het inrichtingspersoneel.
De beroepscommissie stelt echter vast dat in de huisregels van de locatie Roermond niets staat over insluiting van gedetineerden en/of een verbod op telefonisch contact voorafgaand aan een transport. De beroepscommissie verwijst in dit verband naar paragraaf 4.3.3.3 van de huisregels van de locatie Roermond, waarin regels over het vervoer van gedetineerden zijn neergelegd. Voorts gaat de beroepscommissie ervan uit dat de eerder genoemde werkinstructie voor het inrichtingspersoneel bedoeld is en hieruit geen algemene (gedrags)regels volgen voor gedetineerden. Het is in dit geval onvoldoende aannemelijk geworden dat deze regels bij binnenkomst in de inrichting aan klager kenbaar zijn gemaakt. De beroepscommissie volgt de directeur dan ook niet in zijn standpunt dat klager op hoogte was of had moeten zijn van de geldende regels rondom transport. Klager stelt dat aan hem bij het aanzeggen van transport ook niet is medegedeeld dat hij niet mocht telefoneren. Dit wordt door de directeur niet betwist.
Het afzeggen van het transport is daarnaast een direct gevolg van het feit dat het inrichtingspersoneel is afgeweken van de werkinstructie door klager voorafgaand zijn transport niet in te sluiten. Klager heeft bovendien, toen hij op het telefonisch contact werd aangesproken, direct toegelicht dat hij zijn raadsman had gebeld en dat er daarom geen sprake was van ongeoorloofd contact met de buitenwereld. De directeur heeft de verklaring van klager niet gecontroleerd, hoewel het telefoonnummer van de raadsman in de inrichting bekend was. Dat klager ongeoorloofd gebruik heeft gemaakt van de telefoon door met zijn raadsman te bellen, valt hem naar het oordeel van de beroepscommissie dan ook in dit geval niet te verwijten.
Daarbij stelt klager dat het van belang was dat hij op de betreffende dag werd geopereerd, aangezien de operatie eerder al op zich liet wachten en inmiddels complicaties en littekenweefsel waren ontstaan. Uit het standpunt van de directeur in beklag leidt de beroepscommissie af dat de directeur de noodzaak van de geplande operatie ook erkende.
Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, waaronder het belang van klager bij een spoedige operatie, moet de beslissing van de directeur als onredelijk en onbillijk worden aangemerkt. Dat de beslissing om het transport af te zeggen feitelijk bij de Dienst Vervoer & Ondersteuning ligt en de directeur pas in een later stadium met deze beslissing geconfronteerd werd, doet hieraan niet af.
De beroepscommissie zal het beroep daarom in zoverre gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre vernietigen en beklag a. alsnog gegrond verklaren. Nu de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan zijn te maken, komt klager een tegemoetkoming toe. De beroepscommissie zal deze naar redelijkheid en billijkheid vaststellen op €50,-.
Beklag b.
Op basis van de stukken is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie beklag b. terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard. De beroepscommissie ziet in dit geval geen aanleiding om de overwegingen van de beklagcommissie aan te vullen of te wijzigen.
4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag a. gegrond, vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart dit beklag alsnog gegrond. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €50,-.
De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag b. ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie.
Deze uitspraak is op 17 maart 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. drs. F.A.M. Bakker, voorzitter, mr. A.B. Baumgarten en mr. W.J.M. Fleskens, leden, bijgestaan door mr. R.S. Levie, secretaris.
secretaris voorzitter