Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/50744/TA, 25/50405/TA, 25/50407/TA, 3 maart 2026, beroep
Uitspraakdatum:03-03-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummers        25/50744/TA, 25/50405/TA en 25/50407/TA

Betreft [Klager]

Datum 3 maart 2026

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op de beroepen van

[Klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen:

  1. het toegepaste cameratoezicht bij een separatiemaatregel, ingaande op 1 juni 2023
    (K-2023-96);
  2. de belemmeringen in het contact met zijn advocaat gedurende bovenstaande separatiemaatregel (K-2023-92);
  3. een afzonderingsmaatregel, ingaande op 5 juni 2023 (K-2023-89).

De beklagcommissie bij FPC De Kijvelanden te Poortugaal (hierna: de instelling) heeft bij afzonderlijke uitspraken op 7 augustus 2025 beklag b. en c. ongegrond verklaard en op 14 augustus 2025 beklag a. ongegrond verklaard. De uitspraken van de beklagcommissie zijn bijgevoegd.

Klagers raadsvrouw, mr. E.S. Kostelijk, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraken.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en de teammanager bedrijfsvoering van de instelling, gehoord op de digitale zitting van 19 december 2025. Mr. C.K. van Dijk, secretaris bij de RSJ, was als toehoorder aanwezig.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Beklag a.

Klager is op 1 juni 2023 op eigen verzoek gesepareerd. Klager kan zich niet verenigen met de beslissing van het hoofd van de instelling om hem tijdens die separatiemaatregel middels cameratoezicht te observeren en betwist zowel de noodzaak als de rechtmatigheid daarvan. Er was geen sprake van dreiging voor zijn geestelijke of lichamelijke toestand die toepassing van cameratoezicht rechtvaardigde. Integendeel, het feit dat klager zelf om de separatie heeft verzocht, getuigt van inzicht in zijn gemoedstoestand.

Uit de beslissing met betrekking tot de separatiemaatregel volgt dat klager is gesepareerd vanwege een vermeende romantische relatie met een sociotherapeut. Onderzoek doen naar een mogelijke relatie valt niet onder bescherming van de geestelijke of lichamelijke toestand van klager. Tot slot geeft klager aan dat hij enkel is gehoord ten aanzien van de separatiemaatregel en niet ten aanzien van het toepassen van het cameratoezicht. Er is daarom sprake van een vormverzuim. Uit de weergave van het hoorgesprek volgt ook niet klager specifiek is gehoord over het cameratoezicht.

 

 

Beklag b.

Klager heeft recht op onbelemmerd en vertrouwelijk contact met zijn advocaat. Het werd klager op 2 juni 2023, ten tijde van voorgaande separatiemaatregel, niet toegestaan om in een spreekruimte met zijn advocaat te overleggen in het kader van het voorbereiden van een strafzaak. Doordat klager met zijn advocaat diende te communiceren via een luikje van zijn separatieruimte, konden zij onvoldoende vertrouwelijk met elkaar communiceren. Er waren tijdens het gesprek medewerkers van de instelling aanwezig in de nabijheid van de separatieruimte. Zij bevonden zich op dat moment in de gang bij de separatieruimte en niet in het kantoor, zoals het hoofd van de instelling stelt. Klager en zijn advocaat hoorden de medewerkers met elkaar praten. Het kan dus niet anders dan dat deze medewerkers het gesprek tussen klager en zijn advocaat ook hebben kunnen horen.

Bovendien, zo stelt klager, mocht hij geen documenten aannemen van zijn advocaat en heeft hij zich daarom niet goed kunnen inlezen in zijn strafdossier. De instelling stelt dat de advocaat van klager wel degelijk documenten heeft mogen overleggen. Kennelijk is de gelegenheid daartoe niet feitelijk gerealiseerd. Dit raakt het recht van klager om zich adequaat voor te bereiden op zijn strafzaak.

 

Beklag c.

De duur van de afzonderingsmaatregel is niet in de schriftelijke mededeling opgenomen. Klager wist niet hoe lang de maatregel ging voortduren en onder welke voorwaarden de maatregel zou worden beëindigd. Hierdoor verkeerde klager in grote onzekerheid.

De verwijzing naar het risico dat klager wraak zou nemen op de medeverpleegde die de relatie zou hebben gemeld, kan slechts als argument dienen wanneer dit met feiten wordt onderbouwd. Volgens de instelling zou klager op 6 juni 2023 hebben aangegeven op zoek te zijn naar de betreffende medeverpleegde. De instelling geeft echter aan niet te weten of klager na die datum wraakgevoelens koesterde jegens zijn medeverpleegde. Er is geen nadere onderbouwing gegeven waarom klager na 6 juni 2023 nog in afzondering moest verblijven en waarom de afzondering tot 22 juni 2023 moest voortduren.

Klager stelt zich op het standpunt dat de afzonderingsmaatregel te lichtvaardig is verlengd. De voortduring van de afzonderingsmaatregel is niet onderbouwd door nieuwe feiten of risico’s. Er is slechts in algemene bewoordingen verwezen naar mogelijke risico’s voor de orde en veiligheid binnen de instelling.

Klager verzoekt om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.

 

Standpunt van het hoofd van de instelling

Beklag a.

Op 1 juni 2023 is aan klager een afzonderingsmaatregel opgelegd wegens onderzoek naar mogelijk grensoverschrijdend gedrag tussen hem en een medewerker. Na aanzegging van voornoemde maatregel heeft klager aangegeven dat hij gesepareerd wilde worden en dwong dit vervolgens af bij de coördinerend regiebehandelaar, teammanager bedrijfsvoering en teammanager patiëntenzorg. Hij benoemde hierbij dat hij boos was en zou ‘gaan flippen’ als hij niet zou worden gesepareerd. Klager gaf aan dat de afzonderingsmaatregel onterecht was opgelegd en dat hij boos was op het behandelteam. Tijdens het gesprek liep klager gespannen door zijn kamer. De veiligheidsrisico’s werden vanwege de uitspraken van klager en zijn verhoogde spanningsniveau hoog ingeschat door het behandelteam. Het was niet langer mogelijk klager op zijn kamer op de afdeling te laten verblijven, omdat hij door zijn gedrag niet veilig te benaderen was. Het behandelteam heeft richting klager benadrukt dat er weliswaar overeenstemming was over de noodzaak van een separatiemaatregel, maar dat het behandelteam de risico-inschatting maakt. Vanwege die inschatting is besloten om aan klager een separatiemaatregel op te leggen. Klager was niet in te schatten door het behandelteam en hij was verbaal agressief, waarbij hij heeft aangegeven te zullen gaan flippen. Daarom is in samenspraak met de psychiater besloten om klager voor zijn eigen veiligheid gedurende de separatiemaatregel te observeren door middel van cameratoezicht. Het was noodzakelijk om te monitoren of de spanningen bij klager af zouden nemen. Met het aanzeggen van de separatiemaatregel is klager gehoord door de coördinerend regiebehandelaar, waarbij ook een psychiater aanwezig was. De reden van de separatiemaatregel is toegelicht aan klager en er is medegedeeld dat er is beoordeeld, in samenspraak met de psychiater, dat sprake zal zijn van cameratoezicht, zoals ook opgenomen in de schriftelijke mededeling van de separatiemaatregel.

 

Beklag b.

Wanneer aan verpleegden een separatiemaatregel is opgelegd, vinden gesprekken met de advocaat altijd plaats via het boeienluik. Er zijn dan geen medewerkers aanwezig. Zij gaan naar het kantoor bij de separatieruimte en de deur daarvan wordt gesloten, waardoor een gesprek tussen advocaat en verpleegde in vertrouwelijkheid gevoerd kan worden. Het gesprek tussen klager en zijn advocaat op 2 juni 2023 heeft ook op deze wijze plaatsgevonden. Ter zitting is erkend dat het kantoor op korte afstand van de separatieruimte is. De medewerkers hebben daarom in ieder geval de instructie om niet mee te luisteren met gesprekken tussen verpleegden en hun advocaat. Het is niet bekend of de advocaat tijdens het gesprek stukken aan klager heeft mogen overhandigen of niet.

 

Beklag c.

Ten tijde van voorgaande separatiemaatregel heeft klager tijdens de patiomomenten van 2 en 3 juni 2023 benoemd dat hij boos is op de medeverpleegde die heeft aangegeven dat er sprake is van grensoverschrijdend gedrag tussen klager en een medewerker. Klager heeft daarbij aangegeven dat de medeverpleegde liegt en dat hij niet houdt van mensen die leugens over hem verspreiden. De medewerkers merkten dat klager bezig was met uitzoeken wie de betreffende medeverpleegde is. Hij vermoedt dat het een medeverpleegde is waar hij de afgelopen periode ruzie mee heeft gehad. Klager ontkent verder de beschuldigingen.

Op 5 juni 2023 is de separatiemaatregel opgeheven, omdat het spanningsniveau van klager voldoende was gezakt. De veiligheidsrisico’s richting medewerkers en medeverpleegde werden op dat moment nog wel onderzocht. Daarnaast was het onderzoek naar het grensoverschrijdend gedrag nog niet afgerond. Door uitlatingen van klager bleef het voor het behandelteam onduidelijk of er mogelijk informatie tussen klager en de betrokken medeweker is uitgewisseld en welke risico’s hierdoor mogelijk verbonden zijn aan contact tussen klager en medewerkers of medeverpleegden. Verder bleek dat klager nog steeds aan het uitzoeken was welke medeverpleegde hem heeft beschuldigd en hij noemde daarbij ook namen richting het behandelteam. De orde en veiligheid op de afdeling en in de instelling waren in het geding, omdat klager in staat wordt geacht om wraak te nemen op degene die hij verdenkt. Daarom is aan klager op 5 juni 2023 een afzonderingsmaatregel opgelegd.

De afzonderingsmaatregel kan worden opgeheven wanneer de veiligheidsrisico’s richting medewerkers en medeverpleegden in kaart zijn gebracht en voldoende gematigd zijn om klager op een veilige manier buiten zijn kamer te laten verblijven. In de dagen die volgden is er veel ruis omtrent klager en is hij wisselend in zijn gedrag waardoor de veiligheidsrisico’s moeilijk waren in te schatten en in kaart te brengen door het behandelteam. Daarnaast werd zijn naam genoemd door medeverpleegden vanwege betrokkenheid bij handel in drugs op de afdeling. Ook heeft hij verschillende lijntjes met medeverpleegden binnen de instelling waar het behandelteam geen zicht op heeft. Op 16 juni 2023 verbleef klager nog steeds in afzondering, omdat niet werd voldaan aan de vereisten voor het opheffen van de maatregel. Het onderzoek naar het grensoverschrijdend gedrag was nog niet afgerond en ook bleef klager wisselende uitspraken doen over de medeverpleegde die het grensoverschrijdend gedrag heeft gemeld. Op 22 juni 2023 werd in de middag contrabande aangetroffen in de cardioruimte. Hierop volgden diverse kamercontroles, ook bij klager. Bij de kamercontrole werden vervolgens scherven aangetroffen tussen het matras en de bedbodem en op de grond van het bed. Aan klager is als gevolg hiervan een separatiemaatregel met cameratoezicht opgelegd.

 

3. De beoordeling

Beklag a.

De beroepscommissie heeft het beroepschrift en de overige stukken in het dossier bestudeerd. Op basis van deze stukken en van wat ter zitting is besproken, is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie het beklag terecht ongegrond heeft verklaard. De beroepscommissie heeft – evenals de beklagcommissie – geen reden om te twijfelen aan de inlichtingen van het hoofd van de instelling en de inhoud van de schriftelijke mededeling van de separatiemaatregel, waaruit, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat klager ook is gehoord met betrekking tot het cameratoezicht. Naar het oordeel van de beroepscommissie is de noodzaak van het cameratoezicht ter bescherming van de geestelijke of lichamelijke toestand van de verpleegde voldoende gebleken. Het hoofd van de instelling heeft dan ook in redelijkheid kunnen besluiten klager door middel van cameratoezicht te observeren gedurende de separatiemaatregel. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard en de uitspraak van de beklagcommissie zal worden bevestigd.

 

Beklag b.

In artikel 37, zevende lid van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) is bepaald dat geprivilegieerde contacten te allen tijde toegang hebben tot de verpleegde. Tijdens het bezoek kunnen zij zich vrijelijk met de verpleegde onderhouden, behoudens ingeval van de verpleegde een ernstig gevaar uitgaat voor de veiligheid van de bezoeker.

Klager meent dat het in artikel 37, zevende lid, van de Bvt juncto artikel 36, eerste lid aanhef en onder i, van de Bvt neergelegde recht om zich tijdens het bezoek van de rechtsbijstandverlener vrijelijk met deze te onderhouden, is geschonden.

Klager verbleef sinds 1 juni 2023 in een separatieruimte in het kader van een aan hem opgelegde separatiemaatregel. Het werd klager op 2 juni 2023 omwille van de veiligheid niet toegestaan om in een spreekruimte met zijn advocaat de behandeling van zijn strafzaak, die op 5 juni 2023 plaats zou vinden, voor te bereiden. In plaats daarvan vond het onderhoud met de advocaat plaats via het boeienluik van de separatieruimte, terwijl zich in ieder geval op korte afstand medewerkers van de instelling bevonden. Hoewel deze medewerkers waren geïnstrueerd om niet mee te luisteren met gesprekken tussen een verpleegde en zijn advocaat, acht de beroepscommissie dit onvoldoende om de vereiste vertrouwelijkheid te waarborgen.

Naar het oordeel van de beroepscommissie kunnen de namens het hoofd van de instelling naar voren gebrachte beperkingen van het gebouw, die tot gevolg hebben dat medewerkers van de instelling zich doorgaans op korte afstand van de separatieruimte zullen bevinden, de wettelijk beschermde vertrouwelijkheid van het contact tussen klager en zijn advocaat niet doorbreken. De beroepscommissie komt dan ook tot de conclusie dat in dit geval in strijd met de wet is gehandeld.

Het recht op vertrouwelijk overleg met de advocaat omvat ook het ter bespreking kunnen overleggen van processtukken aan klager. Het hoofd van de instelling heeft de stelling van klager, inhoudende dat hij tijdens de bespreking van zijn strafzaak geen stukken van zijn strafdossier mocht aannemen van zijn advocaat, niet weersproken. De beroepscommissie is dan ook van oordeel dat ook in dit verband in strijd met de wet is gehandeld.

Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie vernietigen en het beklag alsnog gegrond verklaren. De beroepscommissie ziet geen aanleiding om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen.

 

Beklag c.

Op basis van deze stukken en van wat ter zitting is besproken, is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie het beklag terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. De beroepscommissie ziet geen aanleiding om de overwegingen van de beklagcommissie aan te vullen of te wijzigen.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie:

verklaart het beroep inzake beklag b. gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart het beklag alsnog gegrond. Zij kent aan klager geen tegemoetkoming toe;

verklaart de beroepen inzake beklag a. en c. ongegrond en bevestigt de uitspraken van de beklagcommissie.

 

Deze uitspraak is op 3 maart 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. M.J.H. van den Hombergh, voorzitter, mr. dr. B.J.M. Frederiks en drs. D. van der Meer, leden, bijgestaan door mr. I.J.M.W. van der Sanden, secretaris.

 

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven