Nummer 24/42580/GA
Betreft [klager]
Datum 21 januari 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft beklag ingesteld, omdat hij niet staat ingeschreven op het adres van de inrichting, waardoor hij al bijna twee jaar lang zijn (belangrijke) post niet ontvangt. De casemanager heeft klager in het kader van zijn aanvraag voor plaatsing op een Beperkt Beveiligde Afdeling (BBA) nooit geïnformeerd over deze mogelijkheid.
De beklagcommissie bij de locatie Norgerhaven te Veenhuizen heeft op 9 augustus 2024 klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag (Nh 2024-286). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.
Klagers raadsman, mr. K. Moors, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en de directeur van de locatie Norgerhaven in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
2. De beoordeling
In de Circulaire BPR en briefadres staat:
“B. Verblijven in een penitentiaire inrichting
Mensen die in een penitentiaire inrichting gaan verblijven, zijn verplicht aangifte van adreswijziging te doen. Gezien de aard van de inrichting mogen zij kiezen voor een briefadres. Het adres van de inrichting opnemen als woonadres in de BRP kan de persoonlijke levenssfeer van de persoon in kwestie namelijk onevenredig schaden. Kiezen zij voor een briefadres dan is dit bij voorkeur een briefadres in de gemeente van herkomst. […] De gedetineerde is zelf verantwoordelijk voor het doorgeven van de adreswijziging en zal hierbij worden ondersteund door een medewerker van de inrichting. Ook bij het ontslag uit de inrichting is deze medewerker of een medewerker maatschappelijke dienstverlening betrokken.”
Klager stelt dat hij sinds 26 augustus 2022 is gedetineerd. Hij heeft op 6 mei 2024 een klacht ingediend, omdat hij niet staat ingeschreven op het adres van de inrichting, waardoor hij al bijna twee jaar lang zijn (belangrijke) post niet ontvangt, zoals boetes van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).
Naar het oordeel van de beroepscommissie ziet klagers beklag niet op een beslissing van de directeur, een verzuim of weigering van de directeur om te beslissen of op een structurele en belangrijke tekortkoming in de verzorgende taken van de directeur, op grond waarvan beklag openstaat op de voet van artikel 60, eerste en tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet. Uit de Circulaire BRP en briefadres van 7 november 2016 volgt dat personen die in een penitentiaire inrichting gaan verblijven, verplicht zijn aangifte van adreswijziging te doen. Het is dan ook klagers eigen verantwoordelijkheid om aangifte van adreswijziging te doen. Klager verwijt de directeur na bijna twee jaar detentie dat hij niet staat ingeschreven op het adres van de inrichting, maar de directeur heeft hier geen (initiërende) rol in.
Voor zover klager stelt dat hij moet worden ontvangen in zijn beklag, omdat het beklag zich (ook) zou richten tegen het handelen van de casemanager in het kader van verlof of detentiefasering, overweegt de beroepscommissie het volgende. Hoewel de gebeurtenis mogelijk gevolgen heeft gehad voor klagers BBA aanvraag, heeft ook casemanager in dit kader geen (initiërende) rol bij het informeren over de mogelijkheid tot inschrijven op het adres van de inrichting.
Gelet op het voorgaande is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie klager terecht niet-ontvankelijk in zijn beklag heeft verklaard (zij het op andere gronden). Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie met wijziging van de gronden.
Deze uitspraak is op 21 januari 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. R.A.E. van Noort, voorzitter, mr. A.B. Baumgarten en mr. L.C.P. Goossens, leden, bijgestaan door mr. L.A.E. Rijnja, secretaris.
secretaris voorzitter