Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/53923/SGA, 9 januari 2026, schorsing
Uitspraakdatum:09-01-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/53923/SGA

Betreft  verzoeker

Datum  9 januari 2026

 

Uitspraak van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ op het verzoek van

verzoeker (hierna: verzoeker)

 

1. De procedure

De directeur van de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein (hierna: de directeur) heeft op 30 december 2025 beslist verzoekers bezoekster de toegang tot de inrichting te weigeren voor de duur van vier weken, vanwege onacceptabel gedrag en dreigende uitlatingen ten aanzien van het personeel.

Verzoekers raadsvrouw, mr. E.M.J.W. Jaspar, vraagt namens verzoeker om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging daarvan.

De voorzitter heeft kennisgenomen van de reacties van de directeur op het schorsingsverzoek, van het klaagschrift en de nadere toelichting van verzoekers raadsvrouw van 5 januari 2026.

 

2. De beoordeling

De voorzitter stelt voorop dat bij een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De zaak kan dus niet ten gronde worden onderzocht. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing waartegen beklag is ingesteld in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat deze zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Naar het oordeel van de voorzitter is dat deels het geval.

Uit de stukken komt naar voren dat verzoekers bezoekster op 30 december 2025 de toegang tot de inrichting is ontzegd voor de duur van vier weken, vanwege onacceptabel gedrag en dreigende uitlatingen ten aanzien van het personeel. Namens verzoeker is aangevoerd dat de bestreden beslissing in strijd is met het ne bis in idem-beginsel, omdat op 30 december 2025 een bezoekontzegging is opgelegd voor hetzelfde feit als waarvoor de bezoekster eerder ook al een bezoekontzegging heeft opgelegd gekregen. Uit de stukken volgt dat de bezoekster op 2 november 2025 de toegang tot de inrichting is ontzegd voor de duur van één week, vanwege verkapte bedreigende uitlatingen ten aanzien van het personeel. In deze beslissing staat vermeld dat de directeur voornemens was haar de toegang tot de inrichting te ontzeggen voor de duur van vier weken, maar dit heeft gematigd tot één week, mits zij haar excuses zou aanbieden. Anders dan namens verzoeker is aangevoerd, komt uit de reactie van de directeur op het schorsingsverzoek naar voren dat de bezoekster niet haar excuses heeft aangeboden.

De voorzitter overweegt als volgt.

Gelet op het voorgaande heeft de directeur naar aanleiding van het incident op 2 november 2025 in redelijkheid kunnen beslissen om verzoekers bezoekster de toegang tot de inrichting te ontzeggen in het belang van de handhaving van de orde en veiligheid in de inrichting, zoals bedoeld in artikel 38, derde lid, in samenhang met artikel 36, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet. Van strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is daarbij niet gebleken. Wel is uit de stukken voldoende aannemelijk geworden dat excuses van verzoekers bezoekster zijn uitgebleven. Nu niet is voldaan aan de gestelde voorwaarde, heeft de directeur in redelijkheid het voorwaardelijk opgelegde deel van drie weken van de op 2 november 2025 opgelegde bezoekontzegging ten uitvoer kunnen leggen. De beslissing is in zoverre dan ook niet zodanig onredelijk of onbillijk dat er een spoedeisend belang is om de tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. 

Het is de voorzitter op basis van de stukken echter onvoldoende duidelijk geworden of er sprake is geweest van twee incidenten, te weten op 2 november 2025 en 30 december 2025, of dat – zoals de raadsvrouw stelt – beide bezoekontzeggingen verband houden met het incident op 2 november 2025. Gelet daarop – en nu een nadere toelichting of motivering daarover van de directeur is uitgebleven – is de beslissing van de directeur om op 30 december 2025 een (nieuwe) bezoekontzegging op te leggen voor de duur van vier weken zodanig onredelijk en onbillijk dat er een spoedeisend belang is om de tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen.

 

3. De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek toe voor zover de bestreden beslissing de periode van drie weken te boven gaat en schorst in zoverre de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing met onmiddellijke ingang tot het moment waarop de beklagcommissie op het onderliggende beklag heeft beslist.

 

Deze uitspraak is op 9 januari 2026 gedaan door mr. M.L. Plas, voorzitter, bijgestaan door mr. P.H. van Roosmalen, secretaris.

 

secretaris         voorzitter

Naar boven