Nummer 25/52470/GV
Betreft klager
Datum 12 januari 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
klager (hierna: klager)
1. De procedure
De – zo begrijpt de beroepscommissie – Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) heeft op 31 oktober 2025 klagers verzoek om incidenteel verlof afgewezen.
Klagers raadsvrouw, mr. L. Schyns, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.
2. De beoordeling
Klager is sinds 13 mei 2025 gedetineerd. Hij ondergaat een gevangenisstraf van zes jaar met aftrek, wegens het overtreden van de Opiumwet. De datum waarop klager (voorwaardelijk) in vrijheid wordt gesteld, is momenteel blijkens zijn registratiekaart bepaald op 12 mei 2029.
De wet- en regelgeving
Volgens artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: de Regeling) wordt onder ‘ouder’ verstaan: de ouder van de gedetineerde, alsmede de stiefouder, pleegouder of grootouder, voor zover deze gedurende een langere tijd de ouderrol heeft vervuld.
In artikel 21 van de Regeling staat dat incidenteel verlof kan worden verleend voor het bijwonen van gebeurtenissen in de persoonlijke sfeer van de gedetineerde, waarbij zijn aanwezigheid noodzakelijk is.
Op grond van artikel 25 van de Regeling kan incidenteel verlof worden verleend voor een bezoek aan een niet tot reizen in staat zijnde levenspartner, kind en ouder, indien deze wegens medische of psychische belemmeringen niet in staat is de inrichting te bezoeken en de gedetineerde gedurende drie maanden niet heeft kunnen ontmoeten.
De inhoudelijke beoordeling
Klager heeft verzocht om incidenteel verlof om een bezoek aan zijn oma te brengen. De medisch adviseur van de afdeling Individuele Medische Advisering acht incidenteel verlof op medische gronden geïndiceerd, omdat het niet wordt verwacht dat klagers oma in staat is om klager redelijkerwijs zelfstandig in de inrichting te bezoeken.
Onder ‘ouder’ – zoals bedoeld in artikel 25 van de Regeling – kan ook een grootouder worden verstaan, maar slechts voor zover deze gedurende langere tijd de ouderrol heeft vervuld. Verweerder stelt dat de brieven van klager en zijn oma onvoldoende onderbouwing vormen om aan te nemen dat klagers oma een langere tijd de ouderrol heeft vervuld. De beroepscommissie kan dit niet volgen. Uit het dossier – met name uit verklaringen van klager, zijn oma en andere familieleden en foto’s – blijkt dat klager vanaf zijn babytijd tot en met zijn vierde levensjaar bij zijn oma heeft gewoond. Dat is een aanzienlijke tijd en de beroepscommissie begrijpt – gelet op de levensfase waarin klager bij zijn oma woonde – dat klager erg aan zijn oma gehecht is geraakt. Toen klagers moeder in klagers vierde levensjaar terugkeerde sliep en at klager kennelijk nog meermaals bij zijn oma en toen klager rond zijn negende levensjaar ziek werd en veel in het ziekenhuis heeft gelegen, was klagers oma degene die hem bijstond bij alle opnames en doktersafspraken. Klager heeft bovendien geen contact meer met zijn ouders.
De beroepscommissie ziet geen aanleiding om aan voornoemde informatie uit het dossier te twijfelen en is daarom van oordeel dat de bestreden beslissing – bij afweging van alle in aanmerking komende belangen – onredelijk en onbillijk is. De beroepscommissie zal het beroep daarom gegrond verklaren en de bestreden beslissing vernietigen. Zij zal verweerder opdragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen een termijn van twee weken na ontvangst daarvan. De beroepscommissie ziet geen aanleiding om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing. Zij draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen een termijn van twee weken na ontvangst daarvan. Zij kent klager geen tegemoetkoming toe.
Deze uitspraak is op 12 januari 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. G.C. Bos, voorzitter, F. van Dekken en mr. dr. A. Pahladsingh, leden, bijgestaan door mr. M. Olde Keizer, secretaris.
secretaris voorzitter