Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/48612/TA, 20 april 2026, beroep
Uitspraakdatum:20-04-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Urinecontrole  v

Nummer          25/48612/TA

Betreft             [Klager] (hierna: klager)

Datum             20 april 2026

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van het hoofd van FPC Oostvaarderskliniek te Almere (hierna: de instelling)

 

1. De procedure

Klager heeft – voor zover in beroep aan de orde – beklag ingesteld tegen – zo begrijpt de beroepscommissie – vermeende tekortkomingen (in de procedure) rondom de urinecontrole van 4 december 2024.

De beklagcommissie bij de instelling heeft op 30 april 2025 het beklag (deels) gegrond verklaard en daarbij aan klager een tegemoetkoming toegekend van €20,- (OV2024/274). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

Het hoofd van de instelling heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft de juridisch adviseur van de instelling, klager en een daartoe gemachtigde medewerker van het kantoor van klagers raadsman, mr. K. Moors, gehoord op de digitale zitting van 21 november 2025. Mr. C.K. van Dijk, secretaris bij de RSJ, was als toehoorder aanwezig.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van het hoofd van de instelling

Feitelijke gang van zaken

Op 4 december 2024 is er urine bij klager afgenomen ten behoeve van een urinecontrole, waarbij klager positief scoorde op het gebruik van xtc. Bij een positieve urinecontrole wordt ervan uitgegaan dat iemand middelen heeft gebruikt en wordt de normale procedure gevolgd.

Klager heeft na het vernemen van de uitslag van de urinecontrole van 4 december 2024 meermaals stellig ontkend xtc te hebben gebruikt en heeft vervolgens een herhalingsonderzoek aangevraagd. Ook uit het herhalingsonderzoek kwam een positieve score op xtc. Vervolgens heeft klager een bevestigingsonderzoek aangevraagd. Het bevestigingsonderzoek betreft een specifiekere test, waarbij de urine wordt onderzocht op tweehonderd verschillende soorten drugs. Uit deze test volgde een negatief resultaat op xtc.

De stellige ontkenning van klager en de negatieve uitslag van het bevestigingsonderzoek gaven aanleiding tot een multidisciplinair overleg met betrekking tot klagers medicijngebruik. De conclusie van dit overleg is dat er ten aanzien van klager speciaal beleid zal worden uitgezet, inhoudende dat bij positieve urinecontroles altijd een bevestigingsonderzoek zal plaatsvinden. Dit is een zeer kostbare procedure, waarbij ook is aangegeven dat indien uit de bevestigingsonderzoeken blijkt dat klager MDA en MDMA heeft gebruikt, het op hem van toepassing zijnde beleid heroverwogen zal worden.

Reden tot instellen beroep

De beklagcommissie schept met haar uitspraak een ongewenste precedentwerking, door te oordelen dat het op de weg van de instelling had gelegen om direct over te gaan tot het laten uitvoeren van een bevestigingsonderzoek bij verpleegden wanneer sprake is van bepaald medicijngebruik.

Het hoofd van de instelling kan zich niet vinden in het oordeel van de beklagcommissie dat, ten aanzien van verpleegden die medicijnen gebruiken die mogelijk een positief resultaat bij een urinecontrole veroorzaken, door de instelling direct een bevestigingsonderzoek aangevraagd dient te worden. Urinecontroles vinden voor verpleegden meerdere malen per maand plaats, waardoor dit zou leiden tot een onwerkbare en zeer kostbare procedure. Dergelijke onderzoeken nemen namelijk weken in beslag. Met het hanteren van een uitzonderingsbeleid voor klager heeft de instelling laten zien dat zijn situatie serieus wordt genomen.

Ten aanzien van de aanzegging van de urinecontrole stelt het hoofd van de instelling dat deze op een juiste wijze heeft plaatsgevonden. Het ging hierbij om een at random urinecontrole en klager heeft door middel van ondertekening van het aanvraagformulier aangegeven dat de procedure op juiste wijze is verlopen.  

Standpunt van klager

De stelling van het hoofd van de instelling dat de beklagcommissie een precedentwerking heeft gecreëerd, volgt klager niet. Uit de uitspraak van de beklagcommissie blijkt duidelijk dat de uitspraak alleen op klager van toepassing is. Het hoofd van de instelling stelt dat er een onwerkbare situatie wordt gecreëerd, maar dit wordt niet nader onderbouwd. Er worden nog steeds onterecht ordemaatregelen aan klager opgelegd als gevolg van vals-positieve urinecontroles. Er dient direct een bevestigingsonderzoek plaats te vinden in verband met klagers medicijngebruik. Klager vreest dat zijn medicatie wordt aangepast naar een middel dat geen vals-positieve urinecontroles veroorzaakt.

 

3. De beoordeling

Wat staat ter beoordeling van de beroepscommissie?

De beklagcommissie heeft geoordeeld dat de procedure rondom de urinecontrole op twee punten niet zorgvuldig is geweest. In de eerste plaats omdat het hoofd van de instelling in het geval van klagers medicijngebruik niet direct een bevestigingsonderzoek heeft aangevraagd bij het laboratorium en in de tweede plaats omdat niet is gebleken dat de reden van de urinecontrole klager is aangezegd. Het beklag van klager is op deze twee punten gegrond verklaard en aan klager is een tegemoetkoming toegekend. Het hoofd van de instelling heeft tegen deze gegrondverklaring beroep ingesteld. De beroepscommissie zal zich ten aanzien van de beoordeling van het beklag daarom beperken tot de twee voornoemde punten.

Wettelijk kader

Om een zorgvuldige toepassing van de urinecontrole te waarborgen, is in artikel 24, tweede lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden bepaald dat de Minister nadere regels stelt omtrent de wijze van uitvoering van de urinecontrole. Deze regels zijn neergelegd in de Regeling urineonderzoek verpleegden (hierna: de Regeling).

Een verpleegde heeft recht op een zorgvuldige afname van urinemonsters door het personeel overeenkomstig de procedure van artikel 3 van de Regeling. Dit artikel bevat blijkens de Nota van toelichting op deze Regeling niet alleen instructienormen, maar ook waarborgnormen voor een zorgvuldige afname van urine, om vergissingen zoveel mogelijk uit te sluiten.

De aanzegging van de reden van de urinecontrole

Op 4 december 2024 is ten behoeve van een urinecontrole bij klager urine afgenomen. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Regeling dient, alvorens de urine wordt afgenomen, de reden van het urineonderzoek aan de verpleegde medegedeeld te worden. Gelet op de inlichtingen van het hoofd van de instelling is de beroepscommissie – anders dan de beklagcommissie – van oordeel dat de at random urinecontrole op de juiste wijze is aangezegd.

Het beroep wordt op dit punt gegrond verklaard.

De aanvraag van een bevestigingsonderzoek door de instelling

De beklagcommissie heeft in haar uitspraak overwogen dat de procedure rondom de urinecontrole niet zorgvuldig is geweest, omdat het hoofd van de instelling in klagers geval niet direct een bevestigingsonderzoek heeft aangevraagd bij het laboratorium. Zoals hiervoor reeds aangehaald, wordt een zorgvuldige afname van urine gewaarborgd door het bepaalde in artikel 3 van de Regeling. Zo schrijft artikel 3, zevende lid, van de Regeling voor dat het aanvraagformulier voor de urinecontrole onder meer gegevens over het medicatiegebruik van de verpleegde dient te bevatten. In dit artikel is echter niet als waarborg opgenomen dat de instelling direct een bevestigingsonderzoek dient aan te vragen, indien sprake is van medicijngebruik bij een verpleegde. Het recht op het laten plaatsvinden van een bevestigingsonderzoek is op grond van artikel 7, eerste lid, van de Regeling bovendien voorbehouden aan de verpleegde (vergelijk RSJ 16 april 2024, 23/35857/GA). Voorts ligt het op de weg van het hoofd van de instelling om bij vragen over de uitslag van het onderzoek en de interpretatie daarvan, overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de Regeling, in overleg te treden met het laboratorium. Gelet op het voorgaande is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie met haar uitspraak een waarborg heeft geformuleerd omtrent de zorgvuldigheid van de procedure rondom de urinecontrole die geen grondslag vindt in artikel 3 van de Regeling. Dit brengt met zich mee dat de uitspraak van de beklagcommissie (ook) op dit punt niet in stand kan blijven.

Conclusie

De beroepscommissie zal het beroep op beide punten gegrond verklaren en de uitspraak van de beklagcommissie voor zover in beroep aan de orde vernietigen en het beklag alsnog ongegrond verklaren.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie voor zover in beroep aan de orde en verklaart het beklag alsnog ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 20 april 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. M.J.H. van den Hombergh, voorzitter, M. Bakker MSc en mr. A.B. Baumgarten, leden, bijgestaan door mr. I.J.M.W. van der Sanden, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven