Nummer 25/47093/GA
Betreft [klager]
Datum 18 mei 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
de directeur van de locatie Norgerhaven te Veenhuizen (hierna: de directeur)
1. De procedure
[klager] (hierna: klager) heeft beklag ingesteld tegen de beslissing van 16 oktober 2024 om hem te degraderen naar het basisprogramma, vanwege bedreiging van een officier van justitie en rechters.
De beklagcommissie bij de locatie Norgerhaven heeft op 7 maart 2025 het beklag gegrond verklaard en daarbij aan klager een tegemoetkoming toegekend van €45,- (Nh 2024-593). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.
De directeur heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.
De beroepscommissie heeft de directeur, klager en zijn raadsman mr. M. de Reus in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
2. De beoordeling
De beroepscommissie heeft het beroepschrift en de overige stukken in het dossier bestudeerd. Op basis van deze stukken is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie het beklag terecht gegrond heeft verklaard.
Volgens de bijlagen bij de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: de Regeling) wordt het ‘zich fysiek agressief gedragen of ernstig bedreigen van personeel of een medegedetineerde’ als ontoelaatbaar gedrag aangemerkt.
In de toelichting (Stcrt. 2020, 49131) staat:
“In het huidige beoordelingskader is een aantal gedragingen opgesomd dat zo ernstig is dat een afweging van deze gedraging ten opzichte van het algehele gedrag niet meer noodzakelijk is. Het gaat hier om gedragingen die als dermate ingrijpend op de orde en veiligheid binnen een inrichting kunnen worden aangemerkt dat deze op zichzelf beschouwd een degradatie c.q. het uitblijven van een promotie rechtvaardigen zonder daarbij rekening te houden met het structurele gedrag in detentie. Deze gedragingen zijn thans opgesomd in de bijlagen 1 en 2 als ontoelaatbaar gedrag.”
De beroepscommissie is van oordeel dat het bedreigen van een officier van justitie en rechters geen ontoelaatbaar gedrag is in de zin van de Regeling. De omstandigheid dat officieren van justitie en rechters in de strafrechtketen werken en in klagers geval waren betrokken bij zijn zaak over het uitstellen van de voorwaardelijke invrijheidstelling, maakt hen redelijkerwijs nog geen ‘personeel’ in de zin van de Regeling, anders dan de directeur betoogt. Het is ook (nog) niet gebleken dat klager wordt vervolgd voor het in detentie plegen dan wel medeplegen van een misdrijf.
Nu er geen sprake is van ontoelaatbaar gedrag, had de directeur een belangenafweging moeten maken, om klager te kunnen degraderen vanwege ongewenst gedrag (waarbij ook het structurele (gewenste) gedrag wordt meegewogen). Dat heeft de directeur niet gedaan.
De beroepscommissie is van oordeel dat er sprake is van een onvoldoende gemotiveerde beslissing. Bij deze stand van zaken kan de beslissing in dit geval echter niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie ziet daarom, anders dan de beklagcommissie, geen aanleiding om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen. Het beroep van de directeur zal om die reden gegrond worden verklaard en de uitspraak van de beklagcommissie zal worden vernietigd voor zover daarbij aan klager een tegemoetkoming is toegekend.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie voor zover daarbij aan klager een tegemoetkoming is toegekend.
Deze uitspraak is op 18 mei 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. F. Sieders, voorzitter, mr. E.B.J. van Elden en mr. A.M.G. Smit, leden, bijgestaan door mr. A. Laagland, secretaris.
secretaris voorzitter