Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/49733/GV, 22 december 2025, beroep
Uitspraakdatum:22-12-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/49733/GV

Betreft [klager]

Datum 22 december 2025

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

De (toenmalig) Staatssecretaris Rechtsbescherming (hierna: verweerder) heeft op 14 juli 2025 klagers verzoek om kortdurend re-integratieverlof afgewezen.

Klagers raadsvrouw, mr. N. Godding, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.

 

2. De beoordeling

Klager heeft verzocht het beroep mondeling te mogen toelichten. Dit verzoek is niet onderbouwd, terwijl de stukken voldoende informatie bevatten om het beroep te kunnen beoordelen. De beroepscommissie wijst het verzoek daarom af.

Klager is sinds 21 februari 2024 gedetineerd. Hij ondergaat een gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek, wegens – kort gezegd – het overtreden van de Opiumwet. De datum waarop klager (voorwaardelijk) in vrijheid wordt gesteld, is momenteel bepaald op 11 oktober 2026.

De wet- en regelgeving

In artikel 15 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: de Regeling) staat dat re-integratieverlof alleen wordt verleend voor een re-integratiedoel dat is vastgelegd in het detentie- & re-integratieplan (D&R-plan). Bij de beslissing tot het verlenen van re-integratieverlof, worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:

-    de mate waarin en de manier waarop de gedetineerde, door zijn gedrag gedurende de gehele detentie, een bijzondere geschiktheid heeft laten zien voor een terugkeer in de samenleving;

-    de mogelijkheid om de risico’s die aan het verlof zijn verbonden te beperken en te beheersen;

-    de belangen van slachtoffers, nabestaanden en andere relevante personen, in ieder geval met betrekking tot het eerste verzoek om onbegeleid re-integratieverlof (als de gedetineerde is veroordeeld voor een misdrijf als bedoeld in artikel 51e, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering);

-    de inspanningen die de gedetineerde heeft geleverd om de schade te vergoeden die het strafbare feit heeft veroorzaakt;

-    de in het D&R-plan opgenomen aspecten, te weten het re-integratiedoel waarvoor het verlof wordt gevraagd, de wijze waarop het verlof bijdraagt aan de realisatie van dat doel, de duur van het verlof en het aantal keren verlof dat verband houdt met het re-integratiedoel.

In artikel 19, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat kortdurend re-integratieverlof anders dan voor het onderhouden van een sociaal netwerk niet langer duurt dan noodzakelijk voor het realiseren van het doel waarvoor dit verlof wordt verleend en dat dit verlof begint en eindigt op dezelfde dag.

De inhoudelijke beoordeling

Klager heeft verzocht om kortdurend re-integratieverlof om ziekenhuisafspraken bij te kunnen wonen in het kader van een transplantatietraject. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen, omdat re-integratieverlof hier niet voor bedoeld zou zijn. De beroepscommissie kan dit standpunt van verweerder volgen. Zij overweegt daartoe als volgt.

Klager verzoekt om verlof in verband met zijn eigen gezondheid. Daarvoor is re-integratieverlof niet bedoeld. Op grond van artikel 42 van de Penitentiaire beginselenwet moet de directeur van de inrichting zorgdragen voor klagers behandeling op aanwijzing van de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger en zorgt de directeur voor overbrenging van de gedetineerde naar een ziekenhuis dan wel andere instelling, indien de behandeling daar plaatsvindt. Ook medisch specialisten kunnen worden geraadpleegd (Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 62). In klinische behandeling van gedetineerden kan ten dele worden voorzien door het (thans) Justitieel Centrum voor Somatische Zorg. Wanneer die faciliteiten niet toereikend zijn, zal van andere medische instellingen gebruik dienen te worden gemaakt (Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 63). Op grond van de artikelen 28 en 37 van de Regeling kan in verband met medische en therapeutische redenen incidenteel verlof respectievelijk strafonderbreking worden verleend.

De beroepscommissie is met verweerder van oordeel dat het bijwonen van ziekenhuisafspraken niet valt onder het regelen van praktische zaken die noodzakelijk zijn met het oog op klagers invrijheidstelling. Hoewel onder de basisvoorwaarden re-integratie ook ‘zorg’ valt, ziet dit bijvoorbeeld op aansluitende zorg na detentie en/of de continuïteit van lopende zorgtrajecten ten aanzien van bijvoorbeeld hulpverlening bij verslaving en maatschappelijke ondersteuning.

Alleen al gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de bestreden beslissing niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep dan ook ongegrond verklaren.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 22 december 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. G.C. Bos, voorzitter, F. van Dekken en mr. L.C.P Goossens, leden, bijgestaan door mr. M. Olde Keizer, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven