Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/52971/SGA, 8 december 2025, schorsing
Uitspraakdatum:08-12-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer           25/52971/SGA

Betreft verzoeker

Datum  8 december 2025

 

Uitspraak van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ op de verzoeken van

verzoeker (hierna: verzoeker)

 

1. De procedure

Verzoeker vraagt om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van het niet uitreiken van:

  1. twee poststukken zonder afzender of adres op 17 november 2025; en
  2. een privé poststuk met het tijdschrift ‘Linda’ op 18 november 2025.

De voorzitter heeft kennisgenomen van de reacties van de directeur van de Penitentiaire Inrichting (PI) Krimpen aan den IJssel (hierna: de directeur) op het schorsingsverzoek en van het klaagschrift (U-2025-2064).

 

2. De ontvankelijkheid

Ten aanzien van b.

Verzoeker vraagt om schorsing van het niet uitgereikt krijgen van het tijdschrift ‘Linda’ dat hij als privépost heeft opgestuurd gekregen. Uit de reactie van de directeur op het schorsingsverzoek komt naar voren dat het verzoeker – die op de Afdeling Intensief Toezicht (hierna: AIT) verblijft – op grond van hoofdstuk 4.5.3. van de huisregels van de AIT van de PI Krimpen aan den IJssel niet is toegestaan een tijdschrift te ontvangen, anders dan via een abonnement bij een postorderbedrijf of uitgeverij. Het niet uitgereikt krijgen van het tijdschrift ‘Linda’ via privépost betreft dus een algemene in de inrichting geldende regel en niet een door of namens de directeur ten aanzien van verzoeker genomen beslissing als bedoeld in artikel 60 van de Penitentiaire beginselenwet (hierna: Pbw). Daartegen staat geen beklag open, tenzij sprake is van strijd met hogere wet- of regelgeving. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de voorzitter niet gebleken, waardoor verzoeker niet in zijn beklag en daarmee ook niet in zijn schorsingsverzoek onder b. kan worden ontvangen.

 

3. De beoordeling

Ten aanzien van a.

De voorzitter stelt voorop dat bij een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De zaak kan dus niet ten gronde worden onderzocht. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing waartegen beklag is ingesteld in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat deze zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval.

Verzoeker vraagt om schorsing van het niet uitreiken van twee poststukken zonder afzender of adres en voert daarbij – kort gezegd – aan dat de beslissing niet bevoegd is genomen en niet conform artikel 58, tweede lid, onder a, van de Pbw is uitgereikt.

De voorzitter overweegt als volgt.

Op basis van de nadere reactie van de directeur op het schorsingsverzoek begrijpt de voorzitter dat de door verzoeker op 17 november 2025 ontvangen memo van het Bureau Inlichtingen & Veiligheid (hierna: BIV), waarin wordt meegedeeld dat twee poststukken niet zullen worden uitgereikt vanwege het ontbreken van een afzender of adres, een beslissing betreft als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de Pbw. Op grond van artikel 58, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, onder a, van de Pbw, dient de directeur van een beslissing als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de Pbw, onverwijld schriftelijk een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling te doen aan de gedetineerde. Het aan verzoeker uitgereikte memo voldoet naar het oordeel van de voorzitter niet aan die eisen. Er is daarbij onvoldoende gemotiveerd waarom de poststukken – met het oog op (een van) de in artikel 36, vierde lid, van de Pbw genoemde belangen – niet aan verzoeker zijn uitgereikt. Bovendien betreft de door verzoeker ontvangen memo van het BIV naar het oordeel van de voorzitter geen door of namens de directeur genomen beslissing, zodat deze onbevoegd is genomen. Gelet daarop is de bestreden beslissing in strijd met de wet genomen.

Gelet op het voorgaande zal de voorzitter het verzoek onder a. toewijzen en de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing met onmiddellijke ingang schorsen tot het moment waarop de beklagcommissie op het onderliggende beklag heeft beslist.   

 

4. De uitspraak

De voorzitter verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek onder b. en wijst het verzoek onder a. toe en schorst de tenuitvoerlegging van die beslissing met onmiddellijke ingang tot het moment waarop de beklagcommissie op het onderliggende beklag heeft beslist.

 

Deze uitspraak is op 8 december 2025 gedaan door mr. L.C.P. Goossens, voorzitter, bijgestaan door mr. P.H. van Roosmalen, secretaris.

 

secretaris         voorzitter

Naar boven