Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/52974/SGB, 2 december 2025, schorsing
Uitspraakdatum:02-12-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer           25/52974/SGB

Betreft verzoeker

Datum  2 december 2025

 

Uitspraak van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ op het verzoek van

verzoeker (hierna: verzoeker)

 

1. De procedure

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) heeft op 25 november 2025 beslist verzoeker te plaatsen in een Afdeling voor Intensief Toezicht (hierna: AIT) van de Penitentiaire Inrichting Alphen te Alphen aan den Rijn, voor de duur van 12 maanden.

Verzoeker vraagt om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beslissing tot plaatsing op een AIT.

De voorzitter heeft kennisgenomen van de reactie van verweerder op het schorsingsverzoek en van het beroepschrift (25/52975/GB).

 

2. De beoordeling

De voorzitter stelt voorop dat bij een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van verweerder slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De zaak kan dus niet ten gronde worden onderzocht. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing waartegen beroep is ingesteld in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat deze zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Naar het oordeel van de voorzitter is dat niet het geval.

Uit de stukken, waaronder een profielrapport van 1 augustus 2025 van het Gedetineerden Recherche Intelligence Punt (hierna: GRIP), komt naar voren dat verzoeker in eerste aanleg voor een langdurige gevangenisstraf is veroordeeld voor onder meer het medeplegen van de moord op advocaat Derk Wiersum en het leidinggeven aan een criminele organisatie. Dit criminele samenwerkingsverband (hierna: CSV) zou bestaan uit leden met sterke onderlinge (familie)banden, zodat het aannemelijk is dat de hechte contacten en verbondenheid blijven bestaan, ook nu verzoeker vastzit, zo volgt uit het profielrapport. In een groter verband zou het CSV over veel geld en middelen beschikken. De criminele organisatie waar verzoeker deel van uitmaakte, wordt geacht vermoedelijk onderdeel te zijn van een groter CSV onder leiding van verzoekers oom, Ridouan Taghi. Daarnaast bestaat het vermoeden, omdat verzoeker  zijn eigen verdediging wil voeren en daarin gefaciliteerd wil worden, dat verzoeker communicatiemogelijkheden met de buitenwereld probeert te creëren en dit contact probeert te behouden om zijn criminele handelen voort te zetten, waarbij de inrichting waar verzoeker verbleef wijst naar het overschrijden van zijn belminuten en het tegen de regels in spreken van Arabisch tijdens telefoongespreken en bezoekmomenten. Gelet op het voorgaande, en mede gelet op verzoekers positie binnen de criminele organisatie, acht verweerder het noodzakelijk verzoeker op de AIT te plaatsen.

Verzoeker heeft  aangevoerd dat de kortgedingrechter op 23 juli 2025 heeft geoordeeld dat er onvoldoende bewijs aanwezig is voor de ‘b-grond’ (als bedoeld in artikel 13, onder b, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: de Regeling)) en dat deze moest worden verwijderd. Dezelfde informatie ligt opnieuw ten grondslag aan de onderhavige beslissing en is daarmee onvoldoende. Het voeren van zijn eigen verdediging is een recht alsook de faciliteiten die nodig zijn bij de voorbereiding van de verdediging op grond van artikel 6, derde lid, onder b en c van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Deze rechten kunnen niet worden gebruikt als grondslag voor voortgezet crimineel handelen in detentie (hierna: VCHD), wat in strijd is met artikel 17 en 18 van het EVRM. Uit het GRIP rapport van 1 augustus 2025 blijkt dat er geen actuele informatie is waaruit bewijs naar voren komt dat verzoeker contact heeft gehad met enige CSV-leden. Uit datzelfde rapport blijkt ook niet dat verzoeker beschikt over geld, macht en middelen, aldus verzoeker. Verzoeker heeft een spoedeisend belang nu de plaatsing ernstige beperkingen kent.

Uit de reactie van verweerder op het schorsingsverzoek komt naar voren dat – anders dan verzoeker stelt – het VCHD niet daadwerkelijk hoeft te hebben plaatsgevonden om deze grond aan te nemen. Er is voldaan aan de b-grond wanneer sprake is van een vermoeden van (in de zin van vrees voor) ernstig VCHD. Het beoordelingskader van artikel 13 van de Regeling wijkt op formele en materiële gronden af van het beoordelingskader in de Circulaire ‘Gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico’ van 8 juli 2021. De uitspraak van de voorzieningenrechter in kort geding zag op de handhaving van de indicatie B ‘(vermoedens van) voortgezet crimineel handelen vanuit detentie’ ten behoeve van verzoekers plaatsing op de lijst met gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico. De b-grond van artikel 13 van de Regeling kan op preventieve gronden worden aangewend en wordt in ieder geval verondersteld aanwezig te zijn indien de gedetineerde (zoals verzoeker) een aanzienlijke machtspositie heeft binnen een gewelddadige criminele machtsstructuur, aldus verweerder.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter, gelet op wat er uit de stukken naar voren komt, heeft verweerder verzoekers plaatsing op de AIT voldoende gemotiveerd en is de bestreden beslissing niet zodanig onredelijk of onbillijk dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. De voorzitter zal het verzoek daarom afwijzen.

 

3. De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek af.

 

Deze uitspraak is op 2 december 2025 gedaan door mr. D. Riani el Achhab, voorzitter, bijgestaan door mr. P.H. van Roosmalen, secretaris.

 

secretaris         voorzitter

Naar boven