Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/48951/GM, 8 december 2025, beroep
Uitspraakdatum:08-12-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer           25/48951/GM             

Betreft klager

Datum  8 december 2025

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

klager (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klagers raadsvrouw, mr. B.N.R. Maenen heeft beroep ingesteld tegen het medisch handelen van de inrichtingsarts van de Penitentiaire Inrichting (PI) Leeuwarden (hierna: de inrichtingsarts). Klager beklaagt zich erover dat hij de naam en het BIG-nummer (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg) van de inrichtingsarts niet heeft ontvangen waardoor hij geen klacht bij het tuchtcollege kan indienen.

De medisch adviseur bij het ministerie van Justitie & Veiligheid heeft bemiddeld. Het bemiddelingsverslag bevindt zich in het dossier.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en de inrichtingsarts in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

De medische dienst heeft informatie verstrekt in een lopende klachtprocedure van klager, die betrekking had op een medische behandeling die klager meerdere keren onder (camera)toezicht binnen de inrichting heeft ondergaan. Echter, de medische dienst heeft verklaringen afgelegd die niet strookten met de feiten, waarbij werd gesteld dat de behandeling onder toezicht niet had plaatsgevonden. Klager heeft aangegeven een tuchtrechtelijke klacht tegen de inrichtingsarts te willen indienen. Voor het indienen van een tuchtrechtelijke klacht is het BIG-nummer van de betreffende arts vereist. Klager beschikt echter niet over voldoende gegevens van de arts om een tuchtrechtelijke klacht in te dienen en heeft daarom herhaaldelijk bij de medische dienst verzocht om de benodigde gegevens, inclusief het BIG-nummer. Deze verzoeken zijn telkens geweigerd, waardoor het voor klager doelbewust moeilijk is gemaakt om een tuchtrechtelijke klacht in te dienen.

Aan klager is nooit medegedeeld dat de inrichting namen en BIG-nummers van zorgverleners niet verstrekt aan gedetineerden op de AIT-afdeling, en ook niet dat de medische dienst het BIG-nummer wel zou verstrekken aan de medische tuchtcommissie. De AIT (Afdeling Intensief Toezicht)-status van klager ontslaat de medische dienst niet van de wettelijke verplichting om het BIG-nummer te verstrekken. Bovendien verblijft klager sinds eind mei 2025 niet meer op de AIT-afdeling, maar op een reguliere afdeling. Ook in deze periode werd hem het BIG-nummer niet verstrekt. Op grond van artikel 12 van de Wet BIG had het BIG-nummer aan klager verstrekt moeten worden. Klager verwijst hierbij naar RSJ 6 oktober 2006, 06/1187/GM. Klager verzoekt om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.

Standpunt van de inrichtingsarts

De inrichtingsarts sluit zich aan bij het standpunt van de medisch adviseur. Een mogelijk tuchtrechtelijke weg kan worden gefaciliteerd. Gezien de veiligheidsbelangen wordt dit op een andere wijze, zonder het verstrekken van het BIG-nummer, gewaarborgd.

 

3. De beoordeling

Op grond van artikel 65, tweede lid, van de Wet BIG in verbinding met artikel 4 van het Tuchtrechtbesluit BIG, moet klager bij het aanhangig maken van een zaak bij het tuchtcollege in het klaagschrift aangeven op wiens gedraging de klacht betrekking heeft. Het is echter niet vereist dat klager het BIG-nummer van de zorgverlener vermeldt. Door de gedragingen en de functie van de zorgverlener in het klaagschrift te omschrijven, kan de zorgverlener in de regel worden geïdentificeerd. Het tuchtcollege kan vervolgens de medische dienst van de inrichting benaderen om de identiteit van de betrokken zorgverlener te achterhalen. De beroepscommissie is van oordeel dat de keuze van de medische dienst om de naam en het BIG-nummer van de inrichtingsarts niet rechtstreeks aan klager te verstrekken vanwege veiligheidsoverwegingen, is te rechtvaardigen. Dit hoeft klager niet te belemmeren bij het indienen van een klacht bij het tuchtcollege.

Gelet op het voorgaande kan het handelen van de inrichtingsarts niet worden aangemerkt als in strijd met de norm zoals bedoeld in artikel 71f, derde lid, onder a. of b., van de Penitentiaire beginselenwet. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 8 december 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. G.C. Bos, voorzitter, drs. N.C.J.A.M. Kochx en drs. P.J.M. van Puffelen, leden, bijgestaan door mr. J. Sarkisjan, secretaris.

 

secretaris         voorzitter

Naar boven