Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/49102/GB, 2 december 2025, beroep
Uitspraakdatum:02-12-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer 25/49102/GB

Betreft  [klager]

Datum  2 december 2025

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

De (toenmalig) Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) heeft op 17 april 2025 beslist klager over te plaatsen naar de gevangenis van de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel.

Klager heeft daartegen op 24 april 2025 bezwaar ingesteld.

Klagers raadsman, mr. T.S. van der Horst, heeft namens klager beroep ingesteld tegen de (fictieve) weigering van verweerder om een beslissing te nemen op klagers bezwaar.

Verweerder heeft op 13 juni 2025 het bezwaar ongegrond verklaard.

 

2. De beoordeling

Hoewel verweerder inmiddels op het bezwaar heeft beslist, zal de beroepscommissie het beroep toch inhoudelijk beoordelen, omdat in beroep (tijdig) is verzocht om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen.

Op grond van artikel 17, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) dient verweerder de indiener van het bezwaarschrift binnen zes weken schriftelijk op de hoogte te stellen van zijn met redenen omklede beslissing.

De beslissing op bezwaar is gedateerd op 13 juni 2025. Dit is zes weken na het indienen van de bezwaargronden – die op 2 mei 2025 zijn ingediend – en dus binnen de termijn die de Pbw voorschrijft. Klager stelt echter de beslissing op bezwaar niet van verweerder te hebben ontvangen.

In de door verweerder overgelegde stukken bevindt zich geen kopie van de beslissing op bezwaar waarop een handtekening van klager staat ter bevestiging van ontvangst van de beslissing. Het is ook niet op andere wijze aannemelijk geworden dat verweerder de beslissing op bezwaar aan klager dan wel aan zijn raadsman heeft toegezonden. De beroepscommissie gaat er daarom van uit dat klager en zijn raadsman de bestreden beslissing pas op 12 augustus 2025 – via de RSJ – hebben ontvangen, en dus niet binnen zes weken na het indienen van de bezwaargronden op de hoogte zijn gesteld van verweerders beslissing, zoals artikel 17, vierde lid, van de Pbw voorschrijft. De beroepscommissie zal het beroep daarom gegrond verklaren.

Ten aanzien van het verzoek om een tegemoetkoming overweegt de beroepscommissie als volgt. Hoewel de beroepscommissie begrijpt dat het voor klager vervelend is dat hij de beslissing op bezwaar niet eerder heeft ontvangen, verbindt de wet geen gevolgen aan het niet-tijdig nemen dan wel het niet-tijdig toesturen van een beslissing door verweerder. De beroepscommissie ziet slechts onder bijzondere omstandigheden aanleiding om enkel vanwege het niet-tijdig toesturen van de beslissing door verweerder een tegemoetkoming toe te kennen. Daarvan is naar het oordeel van de beroepscommissie in dit geval sprake, omdat klager in dit geval de beslissing op bezwaar niet tijdig toegezonden heeft gekregen in combinatie met de omstandigheid dat verweerder eerder een keer te laat heeft beslist op een bezwaarschrift van klager. Verweerder had namelijk ook pas op 9 februari 2024 beslist op het bezwaarschrift tegen de beslissing van 29 november 2023 (bij de gegrondverklaring van het beroep om die reden is hem destijds geen tegemoetkoming toegekend). De beroepscommissie zal aan klager daarom nu een tegemoetkoming toekennen van €40,-.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €40,-.

 

Deze uitspraak is op 2 december 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. C. Fetter, voorzitter, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. M.F.A. van Pelt, leden, bijgestaan door mr. L.M.E. van Horssen, secretaris.

 

secretaris         voorzitter

Naar boven