Nummer 25/47609/TA
Betreft [Klager]
Datum 27 november 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[Klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft beklag ingesteld tegen de voortduring van de aan hem op 24 juni 2024 opgelegde afzonderingsmaatregel.
De beklagcommissie bij FPC Van der Hoeven Kliniek te Utrecht (hierna: de instelling) heeft op 7 april 2025 het beklag formeel gegrond verklaard en inhoudelijk ongegrond verklaard en aan klager een tegemoetkoming toegekend van €12,50 (HK2024/108). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.
Klagers raadsvrouw, mr. A.L. Louwerse, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw, het plaatsvervangend hoofd van de instelling en een jurist bij de instelling, gehoord op de digitale zitting van 29 augustus 2025.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
Klager heeft op 9 juli 2024 beklag ingesteld tegen het voortduren van de afzonderingsmaatregel die op 24 juni 2024 aan hem is opgelegd. De aan hem opgelegde maatregel had uiterlijk moeten eindigen op 22 juli 2024, maar heeft voortgeduurd tot en met 30 juli 2024. Ten aanzien van de voortduring van de maatregel is aan klager geen schriftelijke mededeling uitgereikt of een machtiging van de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) overgelegd. Het betreffen twee formele gebreken. De instelling erkent deze formele gebreken. Het beroep richt zich dan ook niet tegen de formele gegrondverklaring. Het beroep richt zich wel tegen de hoogte van de aan klager toegekende tegemoetkoming.
Inhoudelijk
Klager stelt een seksuele relatie met een medewerkster van de instelling te hebben gehad, maar zij ontkent dit. Het betreft een moeilijke situatie voor klager, de medewerkster en het team. Klager heeft daarom aanvankelijk geen beklag ingesteld tegen de hem op 24 juni 2024 opgelegde afzonderingsmaatregel. Klager werd in eerste instantie op zijn eigen afdeling in afzondering geplaatst. Later bleek dat het team het moeilijk vond om met klager om te gaan omdat dit directe collega’s waren van de betreffende medewerkster. Klager werd daarom overgeplaatst naar een andere afdeling om de uitbreiding van zijn programma mogelijk te maken. Ondanks zijn medewerking bleef de uitbreiding van zijn vrijheden uit. Tussen 24 juni 2024 en 10 juli 2024 is klager geen enkel programma aangeboden. Vanaf 10 juli 2024 tot
30 juli 2024 heeft klager wel een programma kunnen volgen, maar mocht hij nog steeds geen contact met medeverpleegden hebben.
Klager is zeer jong en kwetsbaar wat betreft diagnostiek en heeft het heel zwaar gehad, omdat hij niet werd geloofd. De betreffende medewerkster mocht daarentegen eerst blijven doorwerken op de afdeling. Later werd besloten dat er een extern onderzoek moest volgen en is zij gedurende het onderzoek geschorst. De afzondering betrof een zware en eenzame periode voor klager. Des te meer nu de uitkomst van het onderzoek niet met alle partijen is gedeeld. Klager verzoekt dan ook zijn beroep gegrond te verklaren, zijn klacht alsnog inhoudelijk gegrond te verklaren en hem een tegemoetkoming toe te kennen.
Standpunt van het hoofd van de instelling
In beroep wordt verwezen naar wat in de beklagprocedure naar voren is gebracht. De instelling heeft ten onrechte geen verlengingsbeslissing genomen op het moment dat de aan klager op
24 juni 2024 opgelegde afzonderingsmaatregel een periode van vier weken te boven zou gaan. Er is ook ten onrechte geen schriftelijke machtiging van de Minister opgevraagd. De oplegging van de afzonderingsmaatregel en het voortduren ervan werd wel noodzakelijk geacht voor de orde en veiligheid in de instelling. Vanaf 11 juli 2024 kon klager zijn programma weer volgen, maar had hij op één dag in de week na geen contact met medeverpleegden en was er feitelijk nog sprake van afzondering. De situatie was naar voor alle betrokkenen. Het onderzoek heeft lang geduurd, maar er is telkens gekeken naar de situatie van klager en in hoeverre de afzondering nog noodzakelijk was.
3. De beoordeling
Op grond van artikel 34, eerste lid in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) kan het hoofd van de instelling een verpleegde afzonderen, indien dit noodzakelijk is met het oog op de orde en veiligheid in de instelling. Op grond van het vierde lid van artikel 34 van de Bvt kan het hoofd van de instelling de afzondering telkens, met schriftelijke machtiging van de Minister, met ten hoogste vier weken verlengen.
Op grond van artikel 54, eerste lid in verbinding met artikel 53, eerste lid, onder b, van de Bvt ontvangt de verpleegde van de beslissing tot afzondering een schriftelijke en met redenen omklede mededeling. De strekking van deze schriftelijke mededelingsplicht is de verpleegde te informeren over de achtergronden en motieven van de beslissing. Zeker ten aanzien van ingrijpende beslissingen zoals de onderhavige is het vanuit het oogpunt van de rechtsbescherming van de verpleegde van belang, dat de schriftelijke mededeling een voor de verpleegde kenbare en deugdelijke motivering bevat.
Uit de stukken en wat ter zitting is besproken komt naar voren dat aan klager op 24 juni 2024 een afzonderingsmaatregel is opgelegd en hem daarvan een schriftelijke mededeling is verstrekt. Na ruim twee weken heeft klager zijn programma weer kunnen hervatten onder éénpersoonsbegeleiding. Op één dag in de week na kwam hij niet aan de vier uur contact met medeverpleegden en was hij feitelijk nog afgezonderd. Deze afzonderingssituatie heeft voortgeduurd tot en met 30 juli 2024.
Voorafgaande aan de oplegging van de afzonderingsmaatregel op 24 juni 2024 was volgens het hoofd van de instelling sprake van ontoelaatbaar gedrag van klager richting een medewerkster van de instelling. Klager heeft vervolgens de medewerkster beschuldigd van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Klager heeft eerder in een andere instelling een seksuele relatie met een medewerkster gehad. Het hoofd van de instelling vond het noodzakelijk om het contact tussen klager en medeverpleegden te beperken om het lopende onderzoek naar het vermeende (seksueel) grensoverschrijdende gedrag van de medewerkster niet te belemmeren. De beroepscommissie is van oordeel dat de beslissing tot afzondering van 24 juni 2024 onder de gegeven omstandigheden niet onredelijk of onbillijk is. Ook ten aanzien van de duur van deze maatregel, tot 23 juli 2024, is de beroepscommissie van oordeel dat deze duur niet onredelijk en onbillijk is, nu klager binnen deze periode zijn programma weer heeft kunnen hervatten. Voor zover klagers beklag ziet op de oplegging en voortduring van de aan hem op 24 juni 2024 opgelegde afzonderingsmaatregel, is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie klagers beklag terecht ongegrond heeft verklaard. De beroepscommissie zal het beroep daarom in zoverre ongegrond verklaren.
Ten aanzien van de voortduring van de afzonderingsmaatregel vanaf 23 juli 2024 overweegt de beroepscommissie als volgt. Om de aan klager opgelegde afzonderingsmaatregel na vier weken te laten voortduren, had door de instelling op grond van artikel 34, vierde lid, van de Bvt een schriftelijke machtiging van de Minister verzocht moeten worden en had een schriftelijke mededeling aan klager verstrekt moeten worden.
De beroepscommissie is van oordeel dat het ontbreken van de op grond van artikel 34, vierde lid, van de Bvt vereiste machtiging tot verlenging van de afzonderingsmaatregel en het ontbreken van een schriftelijke en met redenen omklede mededeling aan klager zodanig ernstig is, dat niet anders kan worden geoordeeld dan dat klagers afzondering daardoor niet kon worden verlengd nu de juridische grondslag ontbrak. De beroepscommissie zal daarom het beroep in zoverre gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre vernietigen en het beklag in zoverre alsnog gegrond verklaren.
Nu de rechtsgevolgen van de voortduring van de afzonderingsperiode na vier weken na oplegging ervan niet meer ongedaan zijn te maken, komt klager een tegemoetkoming toe. De beroepscommissie zal deze vaststellen op €12,50 per dag dat klager ten onrechte in afzondering heeft verbleven, te weten van 23 juli 2024 tot en met 30 juli 2024, in totaal een tegemoetkoming van €100,-.
4. De uitspraak
De beroepscommissie:
verklaart het beroep ongegrond, voor zover dat ziet op de afzonderingsperiode vóór 23 juli 2024 en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie;
verklaart het beroep gegrond, voor zover dat ziet op de afzonderingsperiode van 23 juli 2024 tot en met 30 juli 2024, vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart het beklag in zoverre alsnog gegrond;
kent aan klager een tegemoetkoming toe van €100,-.
Deze uitspraak is op 27 november 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. M.J.H. van den Hombergh, voorzitter, M. Bakker MSc en mr. dr. B.J.M. Frederiks, leden, bijgestaan door mr. C.K. van Dijk, secretaris.
secretaris voorzitter