Nummer 25/49165/GB
Betreft [klager]
Datum 3 december 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
(klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft een verzoek gedaan tot overplaatsing naar de Beperkt Beveiligde Afdeling (BBA) van de locatie Hoogvliet.
De (toenmalig) Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) heeft dat verzoek op 13 juni 2025 afgewezen.
Klager heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld.
De beroepscommissie heeft klager en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.
2. De beoordeling
Klager verblijft op dit moment in de BBA van de Penitentiaire Inrichting (PI) Middelburg. Hij wil graag worden overgeplaatst naar de BBA van de locatie Hoogvliet, omdat de reisafstand naar zijn verlofadres aanzienlijk korter zou zijn en omdat zijn sociale netwerk zich bevindt in Rotterdam, Dordrecht en Hoogvliet.
Op grond van artikel 25, zevende lid, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: de Regeling) wordt een gedetineerde die tot een gevangenisstraf is veroordeeld, in beginsel in het arrondissement van vestiging geplaatst. Als in dat arrondissement geen gevangenis is aangewezen of als daar geen plaats beschikbaar is, dan wordt de gedetineerde in een aanpalend arrondissement geplaatst. Gedetineerden die in het plusprogramma verblijven krijgen voorrang.
Op klagers registratiekaart staat een vestigingsadres in België en uit de stukken blijkt bovendien niet duidelijk waar klager zich na zijn detentie wil gaan vestigen. Artikel 25, zevende lid, van de Regeling speelt in deze zaak daarom geen rol van betekenis. Volgens vaste jurisprudentie van de beroepscommissie moet een gedetineerde in dat geval evenwel een goede reden hebben om te kunnen oordelen dat verweerder hem (alsnog) moet overplaatsen.
Uit de stukken blijkt dat klager bij beslissing van 21 februari 2025 in de BBA van de PI Middelburg is geplaatst en dat daarbij rekening is gehouden met de afstand tot klagers werkgever. In de bestreden beslissing voert verweerder aan dat de reisafstand tot de werkgever de leidende factor is bij een plaatsing in een BBA. Dat komt de beroepscommissie niet onredelijk voor, omdat een plaatsing in de BBA als doel heeft om gedetineerden via een betaalde baan/dagbesteding een betere uitgangspositie te geven om na detentie succesvol en veilig te re-integreren in de samenleving.
Verder blijkt dat er in de locatie Hoogvliet momenteel geen capaciteit is op de BBA en dat er een wachtlijst bestaat. Klager heeft kennelijk eerder zelf bewust gekozen voor de BBA van de PI Middelburg vanwege de toen bestaande wachtlijst voor de BBA van de PI Dordrecht. Hoewel klager in beroep aangeeft dat hij op de wachtlijst wil worden geplaatst, ziet de beroepscommissie gelet op het voorgaande niet in waarom verweerder aan dat verzoek tegemoet zou moeten komen. Dat de reisafstand naar het verlofadres volgens klager zeventig kilometer korter is, vormt naar het oordeel van de beroepscommissie geen goede reden. Bovendien staat in de bestreden beslissing dat het goedgekeurde verlofadres zich in Etten-Leur bevindt en niet in Rotterdam.
Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de bestreden beslissing niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 3 december 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, voorzitter, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. M.F.A. van Pelt, leden, bijgestaan door mr. M. Olde Keizer, secretaris.
secretaris voorzitter