Nummer 25/52531/SGA
Betreft verzoeker
Datum 11 november 2025
Uitspraak van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ op het verzoek van
verzoeker (hierna: verzoeker)
1. De procedure
De directeur van de locatie Hoogvliet (hierna: de directeur) heeft aan verzoeker een disciplinaire straf opgelegd van vijf dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, zonder televisie, vanwege de vondst van contrabande in zijn cel, ingaande op
7 november 205 om 13:30 uur en eindigend op 12 november 2025 om 13:30 uur.
Verzoekers raadsvrouw, mr. M. Hoekzema, vraagt namens verzoeker om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging daarvan.
De voorzitter heeft kennisgenomen van de reactie van de directeur op het schorsingsverzoek en van het klaagschrift (ho-2025-533).
2. De beoordeling
De voorzitter stelt voorop dat bij een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De zaak kan dus niet ten gronde worden onderzocht. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing waartegen beklag is ingesteld in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat deze zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Naar het oordeel van de voorzitter is dat niet het geval.
De voorzitter merkt op dat verzoeker via videobellen is gehoord. De beroepscommissie heeft in RSJ 15 januari 2019, R-18/621/GA bepaald dat de keuze voor het horen via een digitaal communicatiemiddel in plaats van horen in persoon, dient te worden gemotiveerd. De directeur heeft niet gemotiveerd waarom er is gekozen voor het horen via videobellen. De vraag of hierdoor sprake is van een vormverzuim bij het nemen van de bestreden beslissing, dient in de bodemprocedure aan de orde te komen. Hierin is echter op zichzelf niet een spoedeisend belang gelegen om op dit moment de verdere tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te schorsen.
Uit de stukken, waaronder het schriftelijke verslag van 6 november 2025, komt naar voren dat er tijdens een celinspectie 0,31 gram hasj is aangetroffen in verzoekers cel aan de onderkant van de tafel. Gedetineerden zijn verantwoordelijk voor dat wat wordt aangetroffen in hun verblijfsruimte, aldus de directeur.
Gelet op het voorgaande is de beslissing van de directeur om verzoeker de bestreden disciplinaire straf op te leggen niet zodanig onredelijk of onbillijk dat er een spoedeisend belang is om de (verdere) tenuitvoerlegging daarvan te schorsen. De voorzitter zal het verzoek daarom afwijzen.
3. De uitspraak
De voorzitter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is op 11 november 2025 gedaan door mr. D. Riani el Achhab, voorzitter, bijgestaan door mr. L.M. Uljee, secretaris.
secretaris voorzitter