Nummer 24/42322/GB
Betreft [klager]
Datum 27 december 2024
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)
1. De procedure
De (toenmalig) Minister voor Rechtsbescherming (hierna: verweerder) heeft op 23 mei 2024 beslist klager te plaatsen in de gevangenis van de Penitentiaire Inrichting (PI) Lelystad.
Klager heeft daartegen bezwaar ingesteld. Verweerder heeft op 24 juli 2024 het bezwaar ongegrond verklaard.
Klagers raadsman, mr. T.S. van der Horst, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.
2. De beoordeling
Klager verbleef in het huis van bewaring van de locatie Roermond. Op 23 mei 2024 is hij geplaatst in de gevangenis van de PI Lelystad, omdat hij na zijn veroordeling in eerste aanleg in een gevangenis moest worden geplaatst. Daarbij is in het bijzonder rekening gehouden met het beveiligingsniveau van de inrichting, vanwege klagers status als gedetineerde met een vlucht- en/of maatschappelijk risico (GVM).
Op grond van artikel 25, zevende lid, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: de Regeling) wordt een gedetineerde die tot een gevangenisstraf is veroordeeld, in beginsel in het arrondissement van vestiging geplaatst. Als in dat arrondissement geen gevangenis is aangewezen of als daar geen plaats beschikbaar is, dan wordt de gedetineerde in een aanpalend arrondissement geplaatst. Gedetineerden die in het plusprogramma verblijven krijgen voorrang.
Dit geldt op grond van artikel 25, achtste lid, van de Regeling echter niet voor gedetineerden die een verhoogd vlucht- of maatschappelijk risico vormen. Hoewel uit de toelichting op de wijziging van de Regeling volgt dat verweerder een GVM-gedetineerde waar mogelijk regionaal zal plaatsen, is dit van ondergeschikt belang. Verweerder moet onder andere rekening houden met de (on)mogelijke samenplaatsing met gedetineerden uit hetzelfde samenwerkingsverband, de (on)mogelijke samenplaatsing met gedetineerden uit concurrerende netwerken en de mogelijke gevaren die de plaatsing oplevert (Stcrt. 2022, 33928).
Uit de stukken blijkt dat verweerder klager in de gevangenis van de PI Lelystad heeft geplaatst, omdat navraag bij het Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP) heeft uitgewezen dat klager uitsluitend in de PI Lelystad geplaatst kan worden.
Namens klager wordt, kort gezegd, aangevoerd dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van hoor en wederhoor handelt, door de onderliggende informatie van het GRIP niet te delen. Klager weet niet waarom hij niet in de gevangenis van de PI Nieuwegein, van de PI Alphen te Alphen aan den Rijn of van de PI Dordrecht kan worden geplaatst. Bovendien heeft klager bijvoorbeeld eerder samen met een verdachte in het […]-proces in een inrichting verbleven.
De beroepscommissie kan verweerder volgen in het standpunt dat het vanuit privacy- en veiligheidsoverwegingen niet mogelijk is om de lijst met namen en inrichtingen te verstrekken waarvan het Openbaar Ministerie en het GRIP hebben bepaald dat die een contra-indicatie vormen voor plaatsing in bepaalde inrichtingen. Dat klager eerder samen met een verdachte in het […]-proces in een inrichting heeft verbleven, maakt niet dat het GRIP niet kan stellen dat dit nu niet meer mogelijk is.
Klager geeft daarnaast aan dat hij nog nooit in één van de door hem benoemde voorkeursinrichtingen is geplaatst, terwijl er kennelijk wel rekening wordt gehouden met de voorkeuren van gedetineerden met wie hij volgens het GRIP niet samengeplaatst kan worden.
Uit de stukken blijkt dat klager niet met 26 andere gedetineerden samengeplaatst kan worden. De beroepscommissie begrijpt dat dit kan maken dat er slechts één inrichting, de PI Lelystad, overblijft voor klager. Hoewel dit niet één van klagers voorkeursinrichtingen betreft, ligt die inrichting overigens wel in klagers arrondissement van vestiging.
Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de bestreden beslissing niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 27 december 2024 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. A. Jongsma, voorzitter, drs. M.R. van Veen en mr. M.F.A. van Pelt, leden, bijgestaan door mr. M. Olde Keizer, secretaris.
secretaris voorzitter