Nummer 25/48342/GA
Betreft [klager]
Datum 27 november 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft (voor zover in beroep aan de orde) beklag ingesteld tegen het onvoldoende uitvoering geven aan de door de (voormalig) Minister voor Rechtsbescherming (hierna: de Minister) toegestane re-integratieactiviteit ‘leren omgaan met digitalisering’.
De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichtingen (PI) Lelystad heeft op 12 mei 2025 het beklag ongegrond verklaard (PL2024/730). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.
Klagers raadsvrouw, mr. J.J. Serrarens, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager (met behulp van een tolk Engels) en zijn raadsvrouw gehoord op de zitting van 16 september 2025 in de PI Achterhoek te Zutphen. De directeur heeft schriftelijk laten weten niet op de zitting te verschijnen. Mr. M. van Bruggen, lid van de RSJ, was als toehoorder aanwezig.
De directeur heeft op 15 september 2025 de schriftelijke reactie op het beroepschrift toegestuurd. Deze reactie is abusievelijk niet voor aanvang van de zitting aan klager en zijn raadsvrouw toegestuurd. Ter zitting is afgesproken dat de reactie alsnog zou worden toegestuurd en dat klagers raadsvrouw daarop uiterlijk op 26 september 2025 kon reageren. De reactie van de raadsvrouw is op 23 september 2025 ontvangen en de beroepscommissie heeft deze ter informatie toegestuurd aan de directeur.
2. De beoordeling
De beroepscommissie merkt op dat het beroep slechts ziet op de ongegrondverklaring van het beklag ten aanzien van het leren omgaan met digitalisering. Het beklag ten aanzien van de lessen Nederlands is gegrond verklaard en in beroep niet aan de orde.
Ontvankelijkheid van klager in zijn beklag
Klager klaagt er op 7 mei 2024 over dat de directeur onvoldoende uitvoering geeft aan de re‑integratieactiviteit die de Minister op 14 juli 2023 heeft toegestaan in het kader van zijn levenslange gevangenisstraf.
Onvoldoende uitvoering geven aan de re-integratieactiviteit kan gelijk worden gesteld met een beslissing van de directeur, zoals bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet, als sprake is van een beklag met voldoende belang voor de gedetineerde. Daarvan is in beginsel slechts sprake wanneer de directeur volgens de gedetineerde jegens hem “structureel en in belangrijke mate tekortschiet in zijn verzorgende taken” (Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 76).
Als voldoende belang bij het beklag ontbreekt – wat dus losstaat van de vraag of het feitelijk klopt wat de gedetineerde heeft gesteld – dan moet de gedetineerde niet-ontvankelijk in zijn beklag worden verklaard.
In de door klager gestelde omstandigheden, zou het onvoldoende uitvoering geven aan de re‑integratieactiviteit een structurele en belangrijke tekortkoming in de verzorgende taken van de directeur kunnen zijn. Daarom heeft klager voldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beklag en is hij terecht in zijn beklag ontvangen.
De re-integratieactiviteit en de bijbehorende vaardigheden
De re-integratieactiviteit die de Minister heeft toegekend luidt:
“Leren omgaan met de toegenomen digitalisering in de samenleving, zoals internet, digitaal betalingsverkeer, en de daarbij behorende vaardigheden.”
De beroepscommissie leidt uit het dossier en wat klager heeft aangevoerd af dat hij een aantal vaardigheden relevant vindt in het kader van de re-integratieactiviteit:
- Het volgen van de training Digisterker;
- Het oefenen met internet en het bezoeken van websites;
- Het oefenen met een laptop;
- Het oefenen met een telefoon;
- Leren over digitaal betalingsverkeer.
De beroepscommissie is het met klager eens dat al deze vaardigheden voor klager van belang zijn voor het goed uitvoeren van de re-integratieactiviteit. De beroepscommissie zal naar elk van deze vaardigheden kijken en zo in onderlinge samenhang beoordelen of de directeur voldoende uitvoering heeft gegeven aan de re‑integratieactiviteit.
Wat is er gebeurd?
De beroepscommissie beoordeelt de periode waarop het beklag ziet. Dat is vanaf de beslissing van de Minister (14 juli 2023) tot de datum waarop de beklagcommissie uitspraak deed
(12 mei 2025). De directeur heeft in de reactie op het beroep verwezen naar een rapportage van juli 2025, waarin staat vermeld wat klager op dat moment online heeft geoefend, maar dat is voor de beoordeling van het beroep in dit geval niet relevant.
De beroepscommissie betreurt dat zij de directeur geen vragen heeft kunnen stellen tijdens de zitting. De beroepscommissie moet haar oordeel dus baseren op de schriftelijke reacties van de directeur, hetgeen namens klager (tijdens de zitting) naar voren is gebracht en de overige stukken. Op basis daarvan maakt zij de volgende tijdlijn met gebeurtenissen (voor zover relevant) op:
- 26 juni 1998: de start van klagers detentie.
- 30 juli 2002: de veroordeling door het gerechtshof tot een levenslange gevangenisstraf.
- 19 februari 2021: klager wordt overgeplaatst naar de PI Lelystad (waarbij hij tussen 11 januari 2022 en 4 april 2022 tijdelijk in het Pieter Baan Centrum verblijft).
- 24 januari 2023: het adviescollege levenslanggestraften (ACL) adviseert om klager in aanmerking te laten komen voor toelating tot de re-integratiefase.
- 14 juli 2023: de Minister beslist om klager toe te laten tot de re-integratiefase. Hij kan (onder meer) beginnen met de re-integratieactiviteit ‘leren omgaan met digitalisering’.
- 15 augustus 2023: klagers advocaat (mr. A.G. van der Plas) stuurt een brief naar de directeur om te wijzen op de niet van de grond komende uitvoering van de re‑integratieactiviteit.
- 27 augustus 2023: de inrichting rapporteert dat klager meerdere keren aan de casemanager, het hoofd Detentie en Re-integratie (D&R) en diens plaatsvervanger heeft gevraagd of hij kan starten met zijn re-integratieactiviteit. Het hoofd en plaatsvervangend hoofd weten niet hoe dit proces in gang moet worden gezet en zouden dit uitzoeken. In de PI Lelystad hebben ze niet de middelen en mogelijkheden om klager te voorzien in apparatuur waarop hij kan leren omgaan met digitalisering.
- 23 oktober 2023: klagers mentor rapporteert dat klager aangeeft dat hij in een gesprek te horen heeft gekregen dat hij geen enkele vorm van re-integratie mag doen in opdracht van het hoofdkantoor.
- 9 februari 2024: er vindt een gesprek plaats over klagers re-integratie waarbij (zo begrijpt de beroepscommissie) in ieder geval klager, zijn advocaat en vertegenwoordigers van het Ministerie en de inrichting aanwezig waren. Dit gesprek ging vooral over het land waarop klagers re-integratie zich kan richten, maar er is ook gesproken over de uitvoering van de re-integratieactiviteit in de inrichting. Voorafgaand aan dit gesprek heeft het hoofd D&R aan klager een laptop en een mobiele telefoon laten zien, waarmee hij, zo werd hem gezegd, zou mogen gaan werken.
- 8 april 2024: de Minister stuurt een brief naar klagers advocaat (in reactie op haar brief van 1 maart 2024). De Minister betreurt dat het proces van het veilig en verantwoord beschikbaar stellen van digitale middelen (vanwege het hoge beveiligingsniveau van de PI) veel tijd in beslag heeft genomen. Voor de PI was het niet direct duidelijk welke mogelijkheden er zijn tot het veilig beschikbaar stellen van digitale middelen. Er is afgesproken met de PI dat zij met het hoofdkantoor van de Dienst Justitiële Inrichtingen gaan onderzoeken hoe de re-integratieactiviteiten kunnen worden uitgebreid.
- 16 april 2024: klagers advocaat stuurt een brief naar de directeur om te wijzen op de niet van de grond komende uitvoering van de re‑integratieactiviteit. En, anders dan in de brief van 8 april 2024 wordt gesteld, heeft klager nog steeds niet de beschikking over een laptop op cel.
- 7 mei 2024: klagers advocaat dient het klaagschrift in.
- 24 juli 2024: klagers casemanager rapporteert dat klager aangeeft dat hij sinds 9 februari 2024 niet meer met een directielid of het hoofd D&R heeft gesproken en dat hij telkens te horen krijgt dat het personeel niets mag doen totdat zij horen van het Ministerie.
- 29 augustus 2024: klager heeft een laptop (zonder internet) ontvangen en daarover uitleg gekregen. Op de laptop kan hij geen documenten opslaan. De beroepscommissie begrijpt dat deze laptop bij het afdelingshoofd ligt en dat klager hierop Nederlands huiswerk kan maken via Word en opslaan op een USB-stick.
- 23 september 2024: de voorzieningenrechter wijst de vorderingen van klager af. Klager had geëist om de Staat te bevelen hem in het bezit te stellen van een laptop/computer en USB-stick op zijn cel en hem minstens één keer per week toegang te verlenen tot en te laten deelnemen aan lessen in digitale vaardigheden bij het re-integratiecentrum.
- 20 november 2024: klager heeft een intakegesprek gehad voor de training Digisterker waarbij hulpvragen zijn geformuleerd.
- 6 januari 2025 tot 9 april 2025: klager is gestart met de training Digisterker. Tot 26 maart 2025 heeft hij in tien sessies de vijf modules en het examen afgerond. Hij heeft ook verschillende overheidswebsites bezocht en daarmee geoefend.
- 12 mei 2025: de beklagcommissie verklaart het beklag (voor zover in beroep aan de orde) ongegrond.
Beoordeling van het beklag
Op grond van bovenstaande tijdlijn wordt het onmiskenbaar duidelijk dat het zeer lang heeft geduurd voordat er enige uitvoering werd gegeven aan de re-integratieactiviteit. Dit tijdsverloop kan, naar het oordeel van de beroepscommissie, niet worden gerechtvaardigd door de verklaringen die de directeur daarvoor geeft, zijnde een personeelstekort en ‘dat het tijd kost om dit soort dingen te realiseren in een inrichting met een hoog beveiligingsniveau’. Welke inspanningen de directeur (sinds 14 juli 2023) zou hebben verricht om uit te zoeken hoe hij vorm kan geven aan de re‑integratieactiviteit, wordt niet duidelijk.
Pas op 29 augustus 2024, ruim een jaar na de beslissing van de Minister om klager toe te laten tot de re-integratiefase, ontving klager een laptop (die overigens slechts is bedoeld voor Nederlands huiswerk). Waarom dit eerder niet kon, wordt ook niet duidelijk.
De directeur heeft tijdens de beklagzitting gesteld dat bij het re-integratiecentrum computers beschikbaar zijn om te oefenen met (goedgekeurde) websites op het internet. Zonder nadere toelichting of onderbouwing wordt echter niet duidelijk wat dit inhoudt, of klager hierbij uitleg/begeleiding kreeg en per wanneer hij hier gebruik van mocht of kon maken. Het is de beroepscommissie gebleken dat klager pas op 6 januari 2025 is gestart met de training Digisterker en met het oefenen met websites. De directeur meent dat klager eerst een cursus Nederlands diende te volgen voordat hij met de training kon starten. De beroepscommissie is van oordeel dat het klager niet kan worden tegengeworpen dat hij nog niet vaardig was in de Nederlandse taal. Het beklag ten aanzien van de lessen Nederlands is immers gegrond verklaard, omdat de directeur hierin volgens de beklagcommissie onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De beroepscommissie acht het niet aannemelijk dat een andere door de directeur benoemde belemmering, namelijk het niet hebben van een burgerservicenummer (BSN), dermate groot is dat dit het lange tijdsverloop zou rechtvaardigen. Uiteindelijk is het klager immers – ook zonder BSN – gelukt om de training Digisterker af te ronden.
De beroepscommissie overweegt voorts dat aan klager één keer een mobiele telefoon is getoond, maar hij nooit met een telefoon heeft mogen oefenen. De directeur stelt dat het gebruik van een telefoon in de PI ‘ingewikkeld’ is, omdat nog nooit iemand een (mobiele) telefoon op cel heeft gehad. Klager verzoekt echter niet om een mobiele telefoon op cel. Hij wil onder toezicht oefenen met een mobiele telefoon. De directeur heeft daarover niets aangevoerd.
Tot slot is er helemaal geen begin gemaakt met het oefenen met digitaal betalingsverkeer. De directeur meent hierover ook dat klager eerst een cursus Nederlands moest volgen, maar gelet op het voorgaande kan de beroepscommissie dit verweer niet volgen.
De beroepscommissie acht het van belang dat het ACL uiterlijk na drie jaar weer een oordeel zal vellen over de voortgang van de re-integratieactiviteit in het kader van een gratieprocedure (artikel 4 van het Besluit adviescollege levenslanggestraften). Dat er zo’n lange periode onvoldoende uitvoering is gegeven aan de re-integratieactiviteit heeft daarom potentieel grote gevolgen voor klager. Dit acht de beroepscommissie onacceptabel. Vanaf 6 januari 2025 heeft er wel enige voortgang gezeten in de uitvoering van de re‑integratieactiviteit, maar de beroepscommissie ziet dat er nog steeds sprake is van vertraging en weinig inspanning van de directeur ten aanzien van de verschillende te leren vaardigheden.
Gelet op het voorgaande is de directeur naar het oordeel van de beroepscommissie structureel en in belangrijke mate tekortgeschoten in zijn verzorgende taken. Daarom zal de beroepscommissie het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagrechter vernietigen (voor zover in beroep aan de orde) en het beklag alsnog gegrond verklaren.
De beroepscommissie ziet aanleiding om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen. Zij zal deze vaststellen op €100,-.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagrechter voor zover in beroep aan de orde en verklaart het beklag alsnog gegrond. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €100,-.
Deze uitspraak is op 27 november 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. F. Sieders, voorzitter, F. van Dekken en mr. S.C.M. Wouda-van Velzen, leden, bijgestaan door mr. A. Laagland, secretaris.
secretaris voorzitter