Nummer 25/48467/GA
Betreft [klager]
Datum 16 maart 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft beklag ingesteld tegen:
-
een disciplinaire straf van vijf dagen opsluiting in een strafcel, vanwege contrabande op cel, ingaande op 21 februari 2025 (ZS-ZZ-2025-89);
-
de beslissing van 20 februari 2025 om hem te degraderen naar het basisprogramma (ZS-ZZ-2025-101).
De beklagcommissie bij het Justitieel Complex (JC) Zaanstad heeft op 8 mei 2025 de klachten ongegrond verklaard. De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.
Klagers raadsvrouw, mr. M. Uslu, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en de plaatsvervangend vestigingsdirecteur van het JC Zaanstad, gehoord op de digitale zitting van 14 oktober 2025. Twee stagiaires bij het JC Zaanstad waren als toehoorder aanwezig.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
In het schriftelijk verslag staat dat er diverse voorwerpen zijn aangetroffen in klagers cel. Klager blijkt uitsluitend disciplinair bestraft voor het bezit van een USB-stick. Klager werd voorafgaand aan en tijdens het aanzeggen van het rapport, zowel door afdelingspersoneel als door de directie, uitsluitend geïnformeerd over de aangetroffen botte schaar. De directeur verklaarde zelfs dat hij de aangetroffen USB-stick niet als problematisch beschouwde, omdat deze op cel onbruikbaar is. De directeur gaf aan dat enkel bekeken zou worden of er iets bijzonders op stond. Zo niet, dan zou dit geen aanleiding geven tot een disciplinaire straf.
Pas na ontvangst van het verweer van de directeur tegen het schorsingsverzoek, bleek dat de disciplinaire straf niet zag op de schaar maar op de USB-stick. Hiermee is de grondslag van de straf dus wezenlijk anders dan vooraf gecommuniceerd. Dit levert een schending op van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, namelijk het vertrouwensbeginsel en fair hearing. Klager is doelbewust of door nalatigheid verkeerd geïnformeerd over de aard van de gedraging waarvoor hij werd bestraft. Zijn verdediging (in het klaagschrift) heeft zich gericht op de schaar, terwijl de sanctie in werkelijkheid zag op de USB-stick.
Zoals ook in beklag is aangevoerd, is de rapporteur die het verslag heeft opgemaakt niet degene die de USB-stick daadwerkelijk heeft aangetroffen. Als de rapporteur niet de waarnemend ambtenaar is, dient het bewijs overtuigend ondersteund te worden door andere objectieve gegevens, waaruit onomstotelijk blijkt dat de USB-stick zich op de cel van klager bevond. Klager ontkent dat hij wetenschap had van de USB-stick. Het is goed mogelijk dat dit voorwerp daar terecht is gekomen buiten zijn weten om. Er staat ook niet in de stukken waar deze USB-stick is aangetroffen bij klager op cel. Er is in dit geval onvoldoende bewijs voor opzet, bezit of wetenschap bij klager. Opmerkelijk is dat de directeur tijdens de beklagzitting bevestigde dat het hem ging om de schaar, en dat de opgelegde sanctie feitelijk niet de juiste grondslag heeft. De USB-stick bevatte geen strafbare of gevaarzettende inhoud.
Zelfs als wordt aangenomen dat klager wetenschap had van de USB-stick, is de opgelegde sanctie niet proportioneel. Klager heeft al meer dan twee jaar uitsluitend gewenst gedrag vertoond, is nooit betrokken geweest bij incidenten of drugsgebruik en is ook na onderhavig voorval slechts gewenst gedrag blijven vertonen.
Er is niet overwogen om te volstaan met een officiële waarschuwing of lichtere maatregel, bijvoorbeeld insluiting op eigen cel. Tijdens de beklagzitting heeft klager beslissingen overgelegd van andere gedetineerden die voor een soortgelijk feit zijn gesanctioneerd. Uit deze beslissingen blijkt dat in vergelijkbare gevallen is volstaan met een disciplinaire straf op eigen cel, wat een aanzienlijk lichtere maatregel is dan plaatsing in een strafcel, voor klager in het bijzonder die aan posttraumatische stressstoornis (PTSS) lijdt. Het is een kwalijke zaak als een gedetineerde met een psychische kwetsbaarheid zoals PTSS in een strafcel wordt geplaatst. De interne richtlijnen van de Dienst Justitiële Inrichtingen bepalen onder meer dat de medische dienst direct moet worden geïnformeerd bij afzondering of strafcelplaatsing. Een psycholoog of arts moet zo spoedig mogelijk beoordelen of de plaatsing verantwoord is, zeker bij gedetineerden met psychische problematiek. Hiervan is in klagers geval niet gebleken.
Klager acht de beslissing tot degradatie disproportioneel en onbegrijpelijk, mede gelet op zijn detentiehistorie, waarin hij zich consequent aan de regels heeft gehouden en uitsluitend wenselijk gedrag heeft vertoond. De degradatie heeft geleid tot het verlies van zijn plusbaan, die hij vervulde in plaats van reguliere arbeid. Deze aangepaste functie is van groot belang gelet op zijn medische gesteldheid (PTSS). Bij de besluitvorming heeft geen zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden. Hij stelt zich op het standpunt dat met zijn persoonlijke omstandigheden, gedragsgeschiedenis en de aard van de aangetroffen voorwerpen onvoldoende rekening is gehouden.
Klager verzoekt om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.
Standpunt van de directeur
Op 14 februari 2025 vond er een spitactie plaats op de afdeling. Het klopt dat degene die de contrabande op klagers cel heeft aangetroffen niet degene is geweest die het schriftelijk verslag heeft opgesteld. De Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid heeft de spitactie uitgevoerd en heeft aan een medewerker van de inrichting doorgegeven wat er is aangetroffen op klagers cel, waarna deze medewerker het schriftelijk verslag heeft opgesteld. Dit is een formeel gebrek. De inrichting heeft zijn werkwijze inmiddels aangepast. Klager is disciplinair bestraft voor de USB-stick die in zijn cel is aangetroffen. Het uitgangspunt bij het aantreffen van contrabande is dat de gedetineerde naar een strafcel wordt overgebracht. Er is rekening gehouden met klagers persoonlijke omstandigheden in de hoogte van de straf. Daarnaast heeft klager in de strafcel gebruik kunnen maken van de tv en is hij iedere dag bezocht door de medische dienst.
3. De beoordeling
Beklag a.
In artikel 50, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet is bepaald dat, indien een ambtenaar of medewerker constateert dat een gedetineerde betrokken is bij feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming en het personeelslid voornemens is daarover aan de directeur schriftelijk verslag te doen, deze dit aan de gedetineerde meedeelt. Het schriftelijk verslag moet dus worden opgesteld door de medewerker die de feiten heeft waargenomen (vergelijk RSJ 15 maart 2024, 23/31721/GA en RSJ 18 februari 2008, 07/3199/GA). De directeur heeft bevestigd dat in de onderhavige zaak het schriftelijk verslag niet is opgemaakt door een medewerker die de feiten heeft waargenomen.
De beroepscommissie zal het beroep, gelet op het voorgaande, gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie vernietigen en het beklag alsnog gegrond verklaren.
Voor wat betreft de beroepsgronden die zien op de inhoudelijke aspecten van de disciplinaire straf, overweegt de beroepscommissie als volgt. Niet ter discussie staat dat er een USB-stick op klagers cel is aangetroffen. Anders dan namens klager is aangevoerd, is naar het oordeel van de beroepscommissie vanaf begin af aan voldoende duidelijk voor klager dat de disciplinaire straf is opgelegd vanwege de USB-stick en niet vanwege een aangetroffen botte schaar. Dit volgt immers uit de schriftelijke mededeling van de aan klager opgelegde disciplinaire straf, die op 19 februari 2025 aan hem is uitgereikt. Dat de directeur aan klager heeft aangegeven dat hij klager niet disciplinair zou bestraffen als er niets bijzonders op de USB-stick zou worden aangetroffen, is niet aannemelijk geworden. Anders dan klager stelt, is er geen sprake van een schending van artikel 6 van het EVRM.
Een gedetineerde kan verantwoordelijk worden gehouden voor de vondst van contrabande op zijn cel, tenzij aannemelijk is dat hem geen enkel verwijt treft. In dat verband is het van belang dat klager zelf in het hoorgesprek met de directeur heeft aangegeven dat hij de USB-stick van iemand anders heeft gekregen. Het is naar het oordeel van de beroepscommissie – ondanks klagers ontkennende houding in beklag en beroep – dan ook voldoende aannemelijk geworden dat klager wetenschap had van de USB-stick. Een USB-stick betreft een verboden goed. Gelet op het voorgaande is de beslissing van de directeur om aan klager een disciplinaire straf op te leggen op zichzelf niet onredelijk of onbillijk.
In het kader van de strafmaat is namens klager nog aangevoerd dat de directeur onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn psychische kwetsbaarheid (PTSS). De beroepscommissie overweegt in dit kader dat de strafmaat slechts marginaal getoetst dient te worden. Alleen daar waar sprake is van een kennelijk onredelijk strenge bestraffing, dient te worden ingegrepen (vergelijk RSJ 23 november 2015, 15/2167/GA, RSJ 10 juni 2016, 16/0665/GA en RSJ 17 september 2020, R-20/6236/GA).
Gelet op wat uit de stukken en de ter zitting gegeven toelichting naar voren is gekomen, is niet gebleken van een kennelijk onredelijk strenge bestraffing. Volgens de directeur is het uitgangspunt bij het aantreffen van contrabande dat de gedetineerde naar een strafcel wordt overgebracht. Er is rekening gehouden met klagers persoonlijke omstandigheden in de hoogte van de straf. Daarnaast is klager in de strafcel iedere dag bezocht door de medische dienst en heeft hij gebruik kunnen maken van de tv.
De beroepscommissie ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen.
Beklag b.
Op basis van de stukken en van wat ter zitting is besproken, is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie beklag b. terecht ongegrond heeft verklaard. De gegrondverklaring van beklag a. doet niet af aan de ontoelaatbaarheid van klagers gedrag. Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard. De beroepscommissie ziet in dit geval geen aanleiding om de overwegingen van de beklagcommissie aan te vullen of te wijzigen.
4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag a. gegrond, vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart dit beklag alsnog gegrond. Zij kent aan klager geen tegemoetkoming toe.
De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag b. ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie.
Deze uitspraak is op 16 maart 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. F. Sieders, voorzitter, mr. A.B. Baumgarten en mr. M.F.A. van Pelt, leden, bijgestaan door mr. I.J.M.W. van der Sanden, secretaris.
secretaris voorzitter