Nummer 25/49362/GB
Betreft [klager]
Datum 13 november 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)
1. De procedure
De (toenmalig) Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) heeft op 17 april 2025 beslist de extramurale fase in het kader van de aan klager opgelegde maatregel van plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders (ISD-maatregel) te beëindigen en klager te plaatsen in de ISD van het Justitieel Complex (JC) Zaanstad.
Klager heeft daartegen bezwaar ingesteld. Verweerder heeft op 24 juni 2025 het bezwaar ongegrond verklaard.
Klagers raadsvrouw, mr. A.G. Schol, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.
2. De beoordeling
De situatie
Klager verbleef in het kader van zijn extramurale fase bij Stichting Exodus in Den Haag. Bij beslissing van 17 april 2025 is hij in de ISD van het JC Zaanstad is geplaatst, omdat hij de voorwaarden voor deelname aan de extramurale fase zou hebben geschonden.
De regelgeving
Op grond van artikel 44m, eerste lid, van de Penitentiaire maatregel (Pm) kan verweerder een gedetineerde – op grond van een advies van de directeur – terugplaatsen in de inrichting, als de gedetineerde niet (meer) in staat of bereid is om deel te nemen aan het programma in de laatste fase buiten de inrichting (de extramurale fase) of om te voldoen aan de voorwaarden die daaraan zijn verbonden.
Op grond van het tweede lid van dat artikel wint de directeur, alvorens te adviseren aan de selectiefunctionaris, het oordeel in van het college van burgemeester en wethouders en de trajectcoördinator.
Inhoudelijke beoordeling
Blijkens het selectieadvies van 16 april 2025 is klager op 8 april 2025 aangehouden met een handelshoeveelheid drugs en een contant geldbedrag waarvoor hij geen verklaring kon geven. Klagers arrestatie heeft – in combinatie met de eerdere overtredingen van zijn voorwaarden – aanleiding gevormd om te beslissen zijn extramurale fase te beëindigen en hem in de ISD van het JC Zaanstad te plaatsen.
Namens klager wordt – kort gezegd – aangevoerd dat de directeur van de inrichting geen advies heeft ingewonnen bij de trajectcoördinator en dat de definitieve beëindiging van het traject van klager pas op 22 april 2025 intern door de trajectcoördinator is besloten. Hoewel uit een overgelegde e-mail volgt dat de evaluatie van klagers traject op de agenda voor 22 april 2025 geagendeerd stond en er in die vergadering is besloten om het traject van klager te beëindigen, is de beroepscommissie van oordeel dat deze latere formele beëindiging in dit geval niet maakt dat de bestreden beslissing als onredelijk of onbillijk moet worden aangemerkt. Zij overweegt daartoe als volgt.
Klager mocht zich gedurende de extramurale fase niet schuldig maken aan een strafbaar feit. Hij is echter op 8 april 2025 aangehouden met een handelshoeveelheid aan diverse harddrugs, te weten 92 zakjes cocaïne en 47 zakjes heroïne en een bedrag van bijna €400,- aan contant geld. Het bestaan van een verdenking dat de gedetineerde zich aan een nieuw strafbaar feit schuldig heeft gemaakt (tijdens de extramurale fase van de ISD-maatregel), kan naar het oordeel van de beroepscommissie voldoende reden vormen om de gedetineerde niet (langer) aan de extramurale fase te laten deelnemen.
Op grond van artikel 44m, tweede lid, van de Pm gaat in de regel het initiatief tot terugplaatsing uit van degenen die als eersten zijn berokken bij de uitvoering van de extramurale fase. Hoewel uit het selectieadvies niet naar voren komt dat de directeur dat advies met de trajectcoördinator heeft afgestemd, wordt daarin wel een duidelijk beeld geschetst van het verloop van de extramurale fase van klagers ISD-maatregel en maakt de beroepscommissie daaruit op dat de directeur in ieder geval ook over het voorval van 8 april 2025 is geïnformeerd.
Alleen al gelet op het voorgaande en op het verloop van de extramurale fase van klagers ISD-maatregel is de beroepscommissie van oordeel dat verweerder op basis van het selectieadvies in redelijkheid heeft kunnen beslissen om klager terug te plaatsen in de ISD van het JC Zaanstad. Dat de strafzaak tegen klager is geseponeerd maakt het voorgaande niet anders, omdat die blijkens de stukken slechts is geseponeerd omdat de aanhouding niet conform de geldende procedure was verlopen.
Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de bestreden beslissing niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.
Beklag
Tot slot merkt de beroepscommissie nog op dat voor zover klager klaagt over de mogelijkheden voor een onafhankelijk onderzoek van de urinecontrole, dit buiten de macht van verweerder ligt en dat klager zich hiervoor kan wenden tot de beklagcommissie van de Commissie van Toezicht.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 13 november 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. C. Fetter, voorzitter, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. M.F.A. van Pelt, leden, bijgestaan door mr. L.M.E. van Horssen, secretaris.
secretaris voorzitter