Nummer 25/52067/GB
Betreft [klager]
Datum 10 november 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)
1. De procedure
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 11 september 2025 klager opgeroepen om zich op 18 november 2025 te melden in de Penitentiaire Inrichting Heerhugowaard, voor het ondergaan van drie dagen principale hechtenis.
Klager heeft verzocht om uitstel van zijn melddatum. Verweerder heeft dat verzoek op 14 oktober 2025 afgewezen.
Klagers raadsman, mr. C.I. Zaad, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.
2. De beoordeling
Ontvankelijkheid
Verweerder heeft in de reactie op het beroepschrift aangegeven klagers verzoek alsnog (gedeeltelijk) toe te wijzen door aan klager uitstel te verlenen van zijn melddatum tot 2 januari 2026. Klager heeft echter verzocht om een uitstel van negen maanden. De beroepscommissie vat verweerders beslissing daarom op als een gedeeltelijke afwijzing van klagers verzoek, zodat daartegen beroep openstaat.
De wet- en regelgeving
De procedure voor zelfmelders is geregeld in hoofdstuk 2 van de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen en hoofdstuk 2 van de Beleidsregels tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen 2021.
Inhoudelijke beoordeling
Klager wil graag uitstel van zijn melddatum, omdat hij nog geen vaste arbeidsovereenkomst heeft en vreest zijn baan te verliezen.
Uit de door klager overgelegde brief van 16 oktober 2025 van zijn werkgever blijkt dat hij onmisbaar is voor het bedrijf. In de brief wordt niet benoemd in welke periode klager onmisbaar is. Uit de door klager overgelegde arbeidsovereenkomst blijkt dat klager in de periode van 1 oktober tot en met 15 december van ieder kalenderjaar geen vakantiedagen kan opnemen in verband met een belangrijke commerciële periode. Verweerder heeft op basis van de door klager overgelegde stukken maatwerk toegepast en beslist om (in beroep) alsnog uitstel aan klager te verlenen tot 2 januari 2026. Verweerder heeft daarnaast rekening gehouden met klagers arbeidssituatie door de detentie vlak voor het weekend te laten aanvangen. Klager heeft niet (nader) onderbouwd waarom het inmiddels verleende uitstel onvoldoende zou zijn om zijn werk te behouden. Het is de beroepscommissie dan ook niet gebleken dat aan klager langer uitstel moet worden verleend dan inmiddels door verweerder is toegekend.
Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de bestreden beslissing (met de gewijzigde melddatum naar 2 januari 2026) niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.
Ten overvloede en naar aanleiding van het verzoek van klagers raadsman om de proceskosten te vergoeden, overweegt de beroepscommissie dat de Penitentiaire beginselenwet een dergelijke mogelijkheid niet kent.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 10 november 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. C. Fetter, voorzitter, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. M.F.A. van Pelt, leden, bijgestaan door mr. L.M.E. van Horssen, secretaris.
secretaris voorzitter