Nummer 23/33411/GA
Betreft [klager]
Datum 27 januari 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft beklag ingesteld tegen:
- het insluiten op zijn cel op 14 juli 2022 tijdens de voor arbeid bestemde uren;
- het niet uitbetalen van zijn loon voor de arbeid op 14 juli 2022;
- de weigering van het inrichtingspersoneel om aan hem een beklagformulier uit te reiken.
De beklagcommissie bij de locatie Norgerhaven te Veenhuizen heeft op 21 april 2023 beklagonderdelen a. en c. ongegrond verklaard (Nh 2022-285). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.
Klagers raadsman, mr. W.B.O. van Soest, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klagers raadsman en de directeur van de locatie Norgerhaven (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten. Bij de beroepscommissie is niet bekend op welk adres klager woont of verblijft. De beroepscommissie heeft klager dus niet in de gelegenheid kunnen stellen zijn standpunt schriftelijk (nader) toe te lichten.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
De inrichtingsarts heeft op 5 juli 2022 geadviseerd om klager vanwege zijn astma aangepaste arbeid aan te bieden, door hem in een stofvrije omgeving te laten werken. Op 14 juli 2022 is klager arbeid op de reguliere arbeidszalen aangeboden. Klager gaf te kennen dat hij daar niet kon werken, omdat deze zalen niet – conform het medische advies – stofvrij zijn. Daarop is hij ingesloten tijdens de voor arbeid bestemde uren. Nu de directeur niet in lijn met het medische advies aangepaste arbeid heeft aangeboden, mocht klager niet worden ingesloten en had de directeur klagers loon moeten uitbetalen of een compensatie moeten aanbieden.
Klager is voorts een beklagformulier door het inrichtingspersoneel geweigerd, waar hij naar aanleiding van het voorgaande direct om had verzocht. Toen klager de volgende dag met zijn raadsman ging bellen en hij tijdens dit telefoongesprek wederom bij het inrichtingspersoneel om een beklagformulier had verzocht, kreeg hij deze opnieuw niet uitgereikt. Daarop heeft klagers raadsman gezegd dat hij het klaagschrift zal indienen. Klager heeft zelfs 24 uur nadat hij ingesloten is geweest geen beklagformulier ontvangen. De weigering een beklagformulier uit te reiken, is in strijd met artikel 60, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw).
Klager verzoekt om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.
Standpunt van de directeur
De werkwijze met betrekking tot het uitreiken van beklagformulieren is op initiatief van de Commissie van Toezicht aangepast. Het streven is om klachten eerst middels een gesprek met het afdelingshoofd op te lossen. Indien de klacht hierdoor niet kan worden opgelost, wordt alsnog een beklagformulier uitgereikt. Voor het overige blijft de directeur bij zijn standpunt zoals hij dat in zijn verweerschrift van 21 juli 2022 heeft verwoord.
3. De beoordeling
De beroepscommissie merkt allereerst op dat zij ernaar streeft om spoedig uitspraak te doen. Zij betreurt het dat de uitspraak op dit beroep door uiteenlopende omstandigheden erg lang op zich heeft laten wachten.
Beklagonderdeel a.
Uit het verweerschrift van de directeur komt naar voren dat de inrichtingsarts de directeur heeft geadviseerd om klager arbeid te laten verrichten in een stofvrije/stofarme werkomgeving. Klager is dus niet (structureel) arbeidsongeschikt verklaard. De directeur heeft in overleg met onder andere de inrichtingsarts arbeid aan klager aangeboden op een werkzaal die een stofarme omgeving kent. Klager heeft echter direct geweigerd om arbeid op deze werkzaal te verrichten. Doordat hij niet eerst heeft geprobeerd om arbeid op de daartoe aangewezen werkzaal te verrichten, kon ook niet worden uitgesloten dat het verrichten van arbeid door klager op deze werkzaal gezien zijn medische klachten (in redelijkheid) wél mogelijk was.
De beroepscommissie is daarom van oordeel dat het niet deelnemen aan de (aangepaste) arbeid klagers eigen keuze betrof. De beroepscommissie is gelet hierop van oordeel dat klager zich heeft beklaagd over (de toepassing van) een algemene regel in de huisregels van de locatie Norgerhaven, namelijk dat een gedetineerde op zijn cel wordt ingesloten tijdens de voor arbeid bestemde uren als hij niet wil deelnemen aan de arbeid. Daartegen staat geen beklag open, tenzij sprake is van strijd met hogere wet- of regelgeving. Daarvan is in dit geval geen sprake (vergelijk RSJ 1 november 2024, 23/33900/GA). De beroepscommissie zal daarom de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre vernietigen en klager alsnog niet-ontvankelijk verklaren in dit beklagonderdeel.
Beklagonderdeel b.
Uit het klaagschrift blijkt dat klager ook beklag heeft ingesteld tegen het niet uitbetalen van zijn loon voor de arbeid op 14 juli 2022. De beklagcommissie heeft hier niet op beslist. De beroepscommissie zal dit beklagonderdeel zelf alsnog inhoudelijk beoordelen.
In bijlage II (‘Arbeidsreglement gedetineerden’) van de huisregels van de locatie Norgerhaven staat dat een gedetineerde geen loon ontvangt als hij zonder geldige reden afwezig is op de arbeid. In het licht van wat de beroepscommissie hiervoor inzake beklagonderdeel a. heeft overwogen, had klagers afwezigheid op de arbeid op 14 juli 2022 geen geldige reden. De beroepscommissie is gelet hierop van oordeel dat klager zich heeft beklaagd over (de toepassing van) een algemene regel. Daartegen staat geen beklag open, tenzij sprake is van strijd met hogere wet- of regelgeving (de Regeling arbeid gedetineerden). Daarvan is in dit geval geen sprake. De beroepscommissie zal klager daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit beklagonderdeel.
Beklagonderdeel c.
De beroepscommissie maakt uit de stukken het volgende op. Nadat klager weigerde aan de arbeid deel te nemen en werd ingesloten, maakte hij kenbaar dat hij hiertegen beklag wilde instellen door middel van een beklagformulier. Er werd vervolgens geweigerd om aan hem een beklagformulier uit te reiken. Toen klager de volgende dag met zijn advocaat belde en hij tijdens dit telefoongesprek wederom bij het inrichtingspersoneel om een beklagformulier had verzocht, kreeg hij deze opnieuw niet uitgereikt. Klager heeft gedurende de 24 uur dat hij ingesloten is geweest geen beklagformulier ontvangen. Daarop heeft klagers advocaat te kennen gegeven dat hij het klaagschrift zal indienen; wat hij ook heeft gedaan.
De directeur heeft toegelicht dat het beleid met betrekking tot het uitreiken van beklagformulieren binnen de inrichting is gewijzigd, namelijk dat een gedetineerde voordat deze een beklagformulier wenst, zich eerst bij het afdelingshoofd dient te melden. Zodoende kan het afdelingshoofd in gesprek gaan met de gedetineerde om te kijken of het probleem intern opgelost kan worden. Als dat niet lukt of wanneer een gedetineerde niet in gesprek wil met het afdelingshoofd, dan wordt alsnog een beklagformulier uitgereikt.
Op grond van artikel 60, derde lid, van de Pbw moet de directeur ervoor zorgen dat de gedetineerde die wenst beklag te doen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld. Hoewel het zonder meer begrijpelijk is dat de directeur het moment voorafgaand aan het instellen van beklag wil benutten om tot bemiddeling te komen, mag het beklagrecht van een gedetineerde (via een beklagformulier) niet afhankelijk worden gesteld van een gedwongen gesprek of contactmoment met een medewerker van de inrichting (vergelijk RSJ 9 september 2025, 25/47579/GA). De beroepscommissie is daarom van oordeel dat de weigering van het inrichtingspersoneel om een beklagformulier uit te reiken in strijd is met artikel 60, derde lid, van de Pbw.
De beroepscommissie zal het beroep dan ook in zoverre gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre vernietigen en beklagonderdeel c. alsnog gegrond verklaren. De beroepscommissie ziet echter geen aanleiding om klager een tegemoetkoming toe te kennen. Klager heeft in dit geval namelijk, via zijn advocaat, tijdig beklag kunnen instellen en overigens is niet gebleken dat hij enig ongemak heeft ondervonden.
4. De uitspraak
De beroepscommissie vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie inzake beklagonderdeel a. en verklaart klager alsnog niet-ontvankelijk in dit beklagonderdeel
De beroepscommissie verklaart klager niet-ontvankelijk in beklagonderdeel b.
De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklagonderdeel c. gegrond, vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart dit beklagonderdeel alsnog gegrond. Zij kent klager geen tegemoetkoming toe.
Deze uitspraak is op 27 januari 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. W.S. Korteling, voorzitter, mr. A.M.G. Smit en mr. B. van der Werf, leden, bijgestaan door mr. R.A.J. van de Kamp, secretaris.
secretaris voorzitter