Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/47010/GA, 19 November 2025, beroep
Uitspraakdatum:19-11-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/47010/GA

Betreft             [klager]

Datum             19 november 2025

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van de directeur van de Penitentiaire Inrichting (PI) Heerhugowaard (hierna: de directeur)

 

1. De procedure

[klager] (hierna: klager) heeft beklag ingesteld tegen de door de directeur (onder punt vier) gestelde voorwaarde aan zijn contact met de media, inhoudende dat er geen beeldmateriaal van hem mag worden gemaakt.

De beklagcommissie bij de PI Heerhugowaard heeft op 4 maart 2025 het beklag gegrond verklaard en de bestreden beslissing van de directeur vernietigd voor zover daarin is bepaald dat geen filmopnamen van klager mogen worden gemaakt tijdens het interview en heeft bepaald dat van klager tijdens het interview filmopnamen mogen worden gemaakt onder de voorwaarde dat klager in de documentaireserie onherkenbaar in beeld wordt gebracht (ZB‑2024‑740). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

Mr. M. Beekes, raadsman van de directeur, heeft namens de directeur beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft de plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de PI Heerhugowaard, een juridisch medewerker bij de PI Heerhugowaard, de raadsman van de directeur, klager en zijn raadsman mr. D. Wijburg gehoord op de (digitale) zitting van 21 oktober 2025.

Mr. W.J.M. Fleskens, lid van de RSJ, was als toehoorder aanwezig.

De beroepscommissie heeft klagers raadsman gevraagd om zijn pleitnota toe te sturen. Klagers raadsman heeft dit op 7 november 2025 toegestuurd. De beroepscommissie heeft de pleitnota ter kennisgeving toegestuurd aan de directeur en zijn raadsman.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van de directeur

De directeur heeft in de beslissing een fair balance gevonden tussen enerzijds klagers recht op vrijheid van meningsuiting en anderzijds het belang van de nabestaanden om niet met beelden van klager geconfronteerd te worden.

Klager wordt in de gelegenheid gesteld om zijn mening te uiten. De uitingswijze kan onder artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) worden gebracht, als daarmee de mening wordt geuit. Daarmee valt de expressie van het gezicht en lichaamshouding als zodanig nog niet onder het bereik van artikel 10 van het EVRM. Het valt niet in te zien hoe dat in dit geval aan de meningsuiting bijdraagt, temeer niet nu klager niet herkenbaar in beeld wordt gebracht, en zijn gezichtsexpressie dus in elk geval niet te zien is. Dat van het interview van klager geen filmopnamen mogen worden gemaakt, levert geen inmenging in artikel 10 van het EVRM op. Klager kan tijdens het interview zijn visie te geven. Daarvan mogen audio-opnamen worden gemaakt, die in een slotaflevering van de documentaireserie kunnen worden verwerkt. Het is daarvoor niet nodig om beeldopnamen te maken. Klagers recht op vrijheid van meningsuiting wordt zo gerespecteerd.

Als dat anders zou zijn, dan geldt dat die beperking gerechtvaardigd is. Met de bestreden voorwaarde is een juiste en redelijke balans bereikt tussen het belang van klager bij de uitoefening van zijn recht op vrijheid van meningsuiting en het belang van de nabestaanden bij rust. Klager kan immers tijdens het interview zijn visie geven op de gang van zaken rond het strafproces, terwijl wordt voorkomen dat de nabestaanden worden geconfronteerd met nieuwe (live) beelden van klager. Daarmee is hoogstens sprake van een beperkte inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting, die noodzakelijk is in een democratische samenleving. Dat recht mag immers ook worden beperkt met het oog op de belangen van nabestaanden, zeker als het gaat om ernstige strafbare feiten waarvoor een levenslange gevangenisstraf is opgelegd.

De beklagcommissie heeft ten onrechte minder gewicht toegekend aan het belang bij de voorkoming van de verstoring van de rust en het rouwproces van de nabestaanden. Dat klager met zijn uitlatingen niet rechtstreeks de belangen van de slachtoffers en de nabestaanden zal schenden – conform de voorwaarde die is opgelegd en waaraan klager zich heeft gecommitteerd – neemt niet weg dat klager een podium krijgt om ongeveer een uur lang (zonder tegenspraak) zijn mening te uiten over de onherroepelijke strafzaak waarin hij tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld, wat op zichzelf een verstoring van de rust en het rouwproces oplevert. Die verstoring is vanzelfsprekend groter als van dat interview filmopnamen worden gemaakt, die online worden gezet en kunnen worden verspreid. Voor de nabestaanden is het zien van bewegende beelden van degene die verantwoordelijk is voor hun leed bijzonder confronterend. De voorwaarde dat de belangen van de nabestaanden niet worden geschonden voorkomt dat niet en zou dan ook niet in het voordeel van klager moeten worden meegewogen. De directeur heeft niet opnieuw contact opgenomen met de nabestaanden, maar daar was ook geen aanleiding toe.

Dat in de documentaireserie al een kort filmfragment van klager uit 2023 is verwerkt, maakt dat niet anders. Filmopnamen van het interview zouden veel meer dan een kort filmfragment opleveren en dan ook veel indringender zijn. Bovendien is het verwerken van dat korte filmfragment niet met instemming van de directeur gebeurd. Het gaat om een filmfragment dat in de inrichting is opgenomen voor klagers familie, waarvan het nooit de bedoeling was dat dat verder zou worden verspreid.

Volgens het beleid van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) worden, in het kader van privacy van justitiabelen en slachtoffers, herleidbare interviews niet gehonoreerd, dus waarbij herleidbare delictsomschrijvingen aan de orde komen of die over het juridische proces gaan. Ook mogen justitiabelen niet herkenbaar in beeld worden gebracht. Deze uitgangspunten worden bij vergelijkbare verzoeken gehanteerd en dergelijke verzoeken worden dan ook niet gehonoreerd. In dit geval wordt al afgeweken van het beleid door klager toe te staan zich uit te laten over het strafproces. Wel is om die reden bepaald dat klager niet in beeld mag worden gebracht. In andere televisieprogramma’s, zoals FC Buitenspel en PI Haaglanden, gaat het niet over die specifieke gedetineerden en hun strafzaak, maar over andere onderwerpen. Dat leidt tot een andere belangenafweging.

 

Standpunt van klager

De procedure rondom het willen meewerken aan deze documentaireserie loopt al een lange tijd. Klager hoopt dat nu een definitieve beslissing volgt, zodat (het laatste deel van) de documentaireserie mogelijk gemaakt kan worden. Steeds is door klager verzocht om contact te hebben met de media met als doel om een bijdrage te leveren aan een documentaireserie. Uit de verzoeken van klager en de toelichtingen van de producent volgt duidelijk hoe invulling moet worden gegeven aan dat contact: het gaat om een interview waarbij klager gefilmd wordt. Onder meer de officier van justitie, rechters, advocaten en nabestaanden hebben in de documentaireserie hun verhaal al op beeld (al dan niet onherkenbaar) kunnen doen.

Nu stelt de directeur als voorwaarde: “Er mag dus geen beeldmateriaal gemaakt worden tijdens het interview”. De directeur wijst het contact met de media toe, maar geeft daaraan een invulling die er feitelijk op neerkomt dat klager geen reële bijdrage kan leveren aan de documentaireserie. Een documentaireserie is een filmproduct. Klager heeft niet verzocht om deel te nemen aan een podcast. Deze voorwaarde staat daarmee haaks op de beslissing van de beroepscommissie van 24 oktober 2024 (24/38951/GA), waarin werd geoordeeld dat de directeur niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot afwijzing van het verzoek om medewerking te verlenen aan een documentaireserie. De beroepscommissie heeft geoordeeld dat de belangen van de nabestaanden minder zwaar wegen dan het belang van klager bij vrije meningsuiting door medewerking aan de documentaireserie. Klager mag zijn medewerking aan de documentaireserie verlenen en het is aan de directeur om voorwaarden te stellen aan zijn medewerken en zijn verschijning daarin.

De voorwaarde leidt tot een situatie waarbij klager zijn recht op vrijheid van meningsuiting niet effectief kan uitoefenen. De gestelde voorwaarde maakt een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn zwaarwegende grondrecht op vrijheid van meningsuiting. De vrijheid van meningsuiting bevat ook de uitingswijze. De expressie van het gezicht, de lichaamshouding en handgebaren zijn van belang voor het overbrengen van zijn mening. Het is voor klager van belang om als ‘mens van vlees en bloed’ zijn verhaal te kunnen doen, nadat hij jarenlang als een monster is afgeschilderd in de media. De boodschap komt sterker over op het moment dat klager in beeld komt in plaats van wanneer er slechts een geluidsfragment wordt gebruikt. Dat klager niet in beroep is gekomen, maakt niet dat de uitingswijzen niet meer relevant zijn. De beklagcommissie heeft dan ook terecht overwogen dat klager voor een effectieve uitoefening van zijn recht op vrije meningsuiting ook gefilmd mag worden.

Het argument met betrekking tot het belang van de nabestaanden wordt telkens herhaald. Uit de beslissing volgt niet waarom het noodzakelijk zou zijn ter bescherming van de belangen van de nabestaanden dat klager niet wordt gefilmd. Uit de beslissing volgt evenmin waarom de belangen van de nabestaanden meer zouden worden geschaad als klager niet herkenbaar in beeld zou worden gebracht. De beeltenis van klager is al wijdverspreid en de documentaireserie wordt uitgezonden op een betaalde streamingsdienst. Klager heeft bovendien al aangegeven dat hij niet zal spreken over nabestaanden.

Regelmatig zijn er televisieprogramma’s (zoals FC Buitenspel en PI Haaglanden) waarin gedetineerden ‘geblurd’ in beeld worden gebracht. Hun lichaamsexpressie is dan waarneembaar. Uit de beslissing volgt niet waarom in deze zaak afgeweken wordt van het landelijk beleid dat ziet op dit soort kwesties.

De beroepscommissie heeft in haar voormelde uitspraak ook enkele relevante overwegingen gewijd aan de belangen van de nabestaanden en hoe die belangen zich verhouden tot het (zwaarwegende) grondrecht van klager op vrije meningsuiting. De beroepscommissie oordeelt dat steeds sprake dient te zijn van een individuele beoordeling. Uit de beslissing volgt niet welke individuele beoordeling heeft plaatsgevonden bij het stellen van voorwaarden en hoe de voorwaarden zich verhouden tot dat zwaarwegende grondrecht van klager.

 

3. De beoordeling

Tijdlijn procedures

Op 7 maart 2022 heeft de directeur beslist tot afwijzing van klagers verzoek om contact met de media. De beklagcommissie heeft klagers beklag tegen die beslissing op 27 oktober 2022 gegrond verklaard, omdat de beslissing onvoldoende gemotiveerd was. De directeur is opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen. De beroepscommissie heeft de uitspraak van de beklagcommissie bevestigd met aanvulling van de gronden (RSJ 8 mei 2023, 22/30103/GA).

Op 7 december 2022 heeft de directeur een nieuwe, wederom afwijzende, beslissing genomen. De beklagcommissie heeft klagers beklag tegen die beslissing op 28 februari 2023 ongegrond verklaard. De beroepscommissie heeft geoordeeld dat de beslissing van de directeur onvoldoende was gemotiveerd, het beklag alsnog gegrond verklaard en de directeur opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen (RSJ 18 september 2023, 23/32507/GA).

Op 5 oktober 2023 heeft de directeur een nieuwe, eveneens afwijzende, beslissing genomen. De beklagcommissie heeft klagers beklag tegen die beslissing op 5 februari 2024 ongegrond verklaard. De beroepscommissie heeft geoordeeld dat de beslissing van de directeur als onredelijk en onbillijk moet worden aangemerkt, het beklag alsnog gegrond verklaard en de directeur opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen (RSJ 24 oktober 2024, 24/38951/GA).

Op 20 november 2024 heeft de directeur een nieuwe beslissing genomen waarin hij heeft bepaald dat klager, onder voorwaarden, medewerking mag verlenen aan de documentaireserie. De directeur heeft deze beslissing op 16 januari 2025 geconcretiseerd. De directeur heeft klagers verzoek om mee te mogen werken aan de documentaireserie toegewezen, maar (voor zover van belang) daaraan de volgende voorwaarde verbonden: “Conform landelijk beleid wordt u niet herkenbaar in beeld gebracht tijdens het interview. Wel wordt het de mediaproducent toegestaan om, conform de eerder in de documentaireserie gebruikte vorm van een rechtbanktekenaar, een tekening van uw beeltenis te maken om u op die manier in beeld te brengen in de slotaflevering van de documentaireserie. De DJI staat niet toe dat deze tekening ter plekke wordt gemaakt; de mediaproducent kan hiervoor zelf een foto selecteren. Tevens wordt het de mediaproducent toegestaan om ten behoeve van de verwerking van het interview in de documentaireserie uw stem op te nemen. Andere stemmen – behalve van medewerkers van de mediaproducent zelf – mogen niet opgenomen worden. Er mag dus geen enkel beeldmateriaal gemaakt worden tijdens het interview”.

De beklagcommissie heeft klagers beklag tegen die beslissing op 4 maart 2025 gegrond verklaard, de beslissing vernietigd voor zover daarin is bepaald dat geen filmopnamen van klager mogen worden gemaakt tijdens het interview en heeft bepaald dat van klager tijdens het interview filmopnamen mogen worden gemaakt onder de voorwaarde dat klager in de documentaireserie onherkenbaar in beeld wordt gebracht. Nu klager niet in beroep is gegaan tegen de uitspraak van de beklagcommissie, staat in onderhavig beroep niet meer ter beoordeling of klager (bij het toestaan van filmopnames) herkenbaar in beeld zou mogen worden gebracht. Ook staat niet meer ter beoordeling of de rechtbanktekenaar de tekening ter plekke of vanaf een zelf te selecteren foto mag maken.

 

De inhoudelijke beoordeling

Uit artikel 40, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) volgt dat de directeur toestemming kan geven voor het voeren van een gesprek tussen de gedetineerde en een vertegenwoordiger van de media, voor zover dit zich verdraagt met de volgende belangen:

  1. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
  2. de bescherming van de openbare orde en de goede zeden;
  3. de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen dan de gedetineerde;
  4. de voorkoming of opsporing van strafbare feiten.

Op grond van het tweede lid kan de directeur met het oog op de bescherming van de in het eerste lid genoemde belangen aan de toegang van een vertegenwoordiger van de media tot de inrichting voorwaarden verbinden.

Het is vaste rechtspraak van de beroepscommissie dat de directeur iedere keer dat een gedetineerde verzoekt om een gesprek te mogen voeren met een vertegenwoordiger van de media, een afweging moet maken tussen het belang van klager en de belangen zoals genoemd in artikel 40, eerste lid, van de Pbw (vergelijk RSJ 19 juli 2022, R-20/8114/GA). Daarbij wordt ook het bepaalde in artikel 10 van het EVRM in acht genomen.

De beroepscommissie heeft in RSJ 24 oktober 2024, 24/38951/GA geoordeeld dat door klagers medewerking aan de documentaireserie weliswaar de rust en het rouwproces van nabestaanden (verder) verstoord kunnen worden, maar dat het extra leed dat hen daardoor zal worden toegevoegd, minder zwaar weegt dan klagers belang bij vrije meningsuiting door medewerking aan de documentaireserie. In dat kader heeft de beroepscommissie de directeur opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen, omdat zij het van belang vond om de directeur de gelegenheid te bieden om bijvoorbeeld voorwaarden te kunnen stellen aan mediacontact. 

De directeur heeft klager toestemming verleend voor medewerking aan de documentaireserie. In zoverre heeft de directeur klagers belang bij de vrije meningsuiting laten prevaleren boven het belang van de nabestaanden bij rust en het niet verder verstoren van hun rouwproces. De directeur heeft – met het oog op het belang genoemd in artikel 40, eerste lid, onder c, van de Pbw – wel bepaald dat er geen beeldopnamen mogen worden gemaakt. Naar het oordeel van de beroepscommissie heeft de directeur voldoende toegelicht waarom het maken van beeldopnames zich niet verdraagt met het belang van de nabestaanden. De beslissing is daarmee in zoverre dan ook in overeenstemming met wat zij eerder in RSJ 24 oktober 2024, 24/38951/GA heeft geoordeeld. Het kan de directeur daarbij niet worden tegengeworpen dat de documentaireserie al een opname van klager bevat, nu dit een privéboodschap voor klagers familie betreft waarvan het nooit de bedoeling is geweest dat deze zou worden gepubliceerd. Daarbij komt dat het invoelbaar is dat het voor de nabestaanden vele malen lastiger zal zijn om te worden geconfronteerd met beelden waarop klager spreekt over de strafzaak, dan met beelden waarop hij zijn familie begroet.

De door de directeur gestelde voorwaarde leidt naar het oordeel van de beroepscommissie in dit geval evenmin tot een beperking van artikel 10 van het EVRM. Zij overweegt daartoe het volgende. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) beperkt artikel 10 van het EVRM zich niet tot bepaalde soorten van expressie (EHRM 20 november 1989, 10572/83, Markt Intern Verlag GmbH en Klaus Beermann t. Duitsland). Om te bepalen of een bepaalde expressie als meningsuiting in de zin van artikel 10 van het EVRM kan worden aangeduid, bekijkt het EHRM zowel of een objectieve buitenstaander een uiting of handeling redelijkerwijs als meningsuiting zou kunnen aanduiden, als ook of de betrokkene zelf beoogt een mening naar voren te brengen met zijn uiting (EHRM 21 oktober 2014, 9540/07, Murat Vural t. Turkije). Het EHRM hanteert een ruimte interpretatie, maar de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting kent ook grenzen. In ieder geval moet zijn aangetoond dat door een bepaalde gedragswijze daadwerkelijk een mening wordt geuit. Als dat niet het geval is, dan is artikel 10 van het EVRM niet van toepassing. [1]

In dat licht kan de beroepscommissie zich voorstellen dat non-verbale communicatie, zoals gezichtsuitdrukkingen en handgebaren, onder de reikwijdte van artikel 10 van het EVRM kan vallen. Klager heeft echter naar het oordeel van de beroepscommissie niet voldoende duidelijk gemaakt in hoeverre hij in dit geval daadwerkelijk zijn mening zou uiten door middel van non-verbale communicatie en in hoeverre de door de directeur gestelde voorwaarde daarom een beperking zou opleveren op het uiten van zijn mening. Klager mag zijn verhaal vertellen en dus zijn mening uiten door middel van een gesproken interview. De beroepscommissie kan begrijpen dat klager zijn verhaal wellicht extra kracht zou kunnen bijzetten door middel van non-verbale communicatie, maar zij ziet – anders dan de beklagcommissie – niet in op welke manier het verbieden van filmopnames voor klager zal leiden tot een beperking op het daadwerkelijk uiten van zijn mening. Dit geldt temeer nu klager hoe dan ook niet herkenbaar in beeld zou worden gebracht, waardoor zijn gezichtsexpressie in het geheel niet waarneembaar zou zijn. Uit de bestreden beslissing maakt de beroepscommissie eveneens op dat klager heeft aangegeven bereid te zijn om met zijn rug naar de camera gericht zijn verhaal te willen doen. Voor zover de gestelde voorwaarde wel een beperking van artikel 10 van het EVRM zou opleveren, is de beroepscommissie van oordeel dat deze beperking gerechtvaardigd is, nu deze noodzakelijk en proportioneel is.

Anders dan klagers wens om op dezelfde wijze mee te werken aan de documentaireserie als de andere betrokkenen, ziet de beroepscommissie geen redenen waarom er beeldmateriaal van klager zou moeten worden gemaakt om mee te kunnen werken aan de documentaireserie en zijn verhaal te kunnen vertellen. Voor zover klager zijn verhaal kracht zou willen bijzetten door middel van non-verbale communicatie, overweegt de beroepscommissie dat klager zijn verhaal ook op doeltreffende wijze kan doen door (alleen) te mogen spreken in de documentaireserie. Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de beslissing van de directeur niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie vernietigen en het beklag alsnog ongegrond verklaren.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart het beklag alsnog ongegrond.

Deze uitspraak is op 19 november 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. C. Fetter, voorzitter, mr. B. van der Werf en drs. P.Th.H. Richelle, leden, bijgestaan door mr. L.A.E. Rijnja, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

 

 

[1] J.H. Gerards, commentaar op artikel 10 van het EVRM, in: J.H. Gerards e.a. (red.), Sdu Commentaar EVRM, Den Haag: Sdu (online).

Naar boven