Nummer 24/44452/GA
Betreft [klager]
Datum 11 februari 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft beklag ingesteld tegen het weigeren van zijn bezoeker op 25 september 2024.
De beklagcommissie bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Achterhoek te Zutphen heeft op 6 november 2024 het beklag ongegrond verklaard (OH-2024-515). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.
Klagers raadsvrouw, mr. C.G.J.E. Lut, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en de directeur van de PI Achterhoek (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
Klagers bezoeker heeft medewerking verleend aan de ‘algehele fouilleerprocedure’ tot het moment dat een personeelslid vroeg om zijn tong te bewegen. Blijkbaar moest er ook een onderzoek aan het lichaam worden verricht. Dit heeft de bezoeker geweigerd, waardoor hem de toegang tot de inrichting is ontzegd. De wettelijke bevoegdheid van de directeur om een bezoeker te onderzoeken aan zijn kleding betreft geen bevoegdheid tot een onderzoek aan het lichaam of uitwendig schouwen van de openingen en holten. Evenmin wordt in de Regeling toelating en weigering bezoek en beperking telefooncontacten penitentiaire inrichtingen een bevoegdheid toegekend aan de directeur om een bezoeker aan een lichamelijk onderzoek te onderwerpen. De wet kent die bevoegdheid alleen toe ten opzichte van de gedetineerde (artikel 29, eerste en derde lid, van de Pbw). Ook uit paragraaf 3.8.1 van de huisregels van de PI Achterhoek vloeit geen bevoegdheid voort om een bezoeker aan enig lichamelijk onderzoek te onderwerpen. Ook de website van de PI Achterhoek vermeld hierover niets. Klager verzoekt om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.
Standpunt van de directeur
De directeur heeft in beroep geen standpunt kenbaar gemaakt.
3. De beoordeling
Ingevolge artikel 38, vijfde lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) kan de directeur bepalen dat een bezoeker aan zijn kleding wordt onderzocht op de aanwezigheid van voorwerpen die een gevaar kunnen opleveren voor de orde of de veiligheid in de inrichting. Dit onderzoek kan ook betrekking hebben op de door hem meegebrachte voorwerpen.
Paragraaf 3.8.1 van de huisregels van de PI Achterhoek luidt: “Indien het bezoek geen algehele medewerking aan de fouilleerprocedure verleent of indien er contrabande wordt aangetroffen, zal het bezoek geen doorgang vinden en kan uitsluiting van toegang tot de inrichting plaatsvinden. Ook tijdens het bezoek kan aan uw bezoekers gevraagd worden om (nogmaals) mee te werken aan een fouilleerprocedure”.
Klagers bezoeker is geweigerd, omdat hij bij het openen van de mond zijn tong niet van links naar rechts wilde bewegen. Daarmee heeft de bezoeker volgens de directeur geen medewerking verleend aan de algehele fouilleerprocedure. Klager beklaagt zich over de gevolgde fouilleerprocedure en daarmee de toepassing van de bovengenoemde huisregel. Tegen (de toepassing van) een algemene regel staat geen beklag open, tenzij deze regel in strijd is met hogere wet- of regelgeving. De vraag is of de toepassing van de bovengenoemde huisregel in strijd is met artikel 38, vijfde lid, van de Pbw.
De beroepscommissie beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende. Een onderzoek aan het lichaam (visiteren) omvat mede het uitwendig schouwen van de natuurlijke openingen en holten van het lichaam (artikel 29, derde lid, van de Pbw). Uit de memorie van toelichting bij de Pbw (Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 51) volgt dat het onderzoek aan de kleding (fouilleren) het oppervlakkig aftasten van de kleding omvat. Als het onderzoek verder reikt dan het oppervlakkig aftasten van de kleding dan is sprake van een onderzoek aan het lichaam.
Tegen deze achtergrond is de beroepscommissie is van oordeel dat het openen van de mond en het moeten bewegen van de tong van links naar rechts moet worden aangemerkt als een onderzoek aan het lichaam en niet een onderzoek aan de kleding. Het is op grond van de huisregel en artikel 38, vijfde lid, van de Pbw niet toegestaan om een bezoeker te onderwerpen aan een onderzoek aan het lichaam. De huisregel is dus onjuist toegepast en klagers bezoeker is ten onrechte de toegang tot de inrichting geweigerd.
Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie vernietigen en het beklag alsnog gegrond verklaren. Nu de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan zijn te maken, komt klager een tegemoetkoming toe. De beroepscommissie zal deze vaststellen op €20,-.
4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart het beklag alsnog gegrond. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €20,-.
Deze uitspraak is op 11 februari 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. R.A.E. van Noort, voorzitter, mr. L.C.P. Goossens en mr. S.C.M. Wouda-van Velzen, leden, bijgestaan door mr. L.M. Uljee, secretaris.
secretaris voorzitter