Nummer 25/51104/GV
Betreft klager
Datum 4 november 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
klager (hierna: klager)
1. De procedure
De (toenmalig) Staatssecretaris Rechtsbescherming (hierna: verweerder) heeft op 1 september 2025 klagers verzoek om strafonderbreking in het kader van artikel 40a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: de Regeling) afgewezen.
Klagers raadsman, mr. S.L.T.A. Scheepers, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.
2. De beoordeling
Bij beslissing van 29 juli 2022 is aan klager strafonderbreking in het kader van artikel 40a van de Regeling verleend. Hij onderging op dat moment een gevangenisstraf van twintig maanden, wegens het overtreden van de Opiumwet. Klager is sinds 17 juli 2025 wederom gedetineerd. Hij ondergaat het strafrestant van 295 dagen. De einddatum van klagers detentie is momenteel bepaald op 12 mei 2026.
Klager behoort tot de categorie strafrechtelijk veroordeelde vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland. Ingevolge artikel 40a van de Regeling kan strafonderbreking voor onbepaalde tijd worden verleend. Indien een vrijheidsstraf van ten hoogste drie jaren is opgelegd, kan strafonderbreking worden verleend nadat ten minste de helft van de straf is ondergaan. Aan de strafonderbreking wordt de voorwaarde verbonden dat de vreemdeling niet naar Nederland terugkeert. Uit de toelichting op artikel 40a van de Regeling volgt dat redenen kunnen bestaan die zich tegen het verlenen van strafonderbreking kunnen verzetten. Daarbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de belangen van slachtoffers en de mate waarin de rechtsorde door het door de vreemdeling gepleegde delict was geschokt (Stcrt. 2012, 7141).
Uit de stukken komt naar voren dat klager, in strijd met de aan de verleende strafonderbreking verbonden voorwaarde, naar Nederland is teruggekeerd. Volgens vaste jurisprudentie komt een vreemdeling aan wie strafonderbreking op grond van artikel 40a van de Regeling is verleend, in beginsel niet langer in aanmerking voor een nieuw te verlenen strafonderbreking, indien deze vreemdeling in strijd met de daaraan verboden voorwaarde na enige tijd naar Nederland terugkeert. Slechts zeer uitzonderlijke omstandigheden kunnen een hernieuwde strafonderbreking in het kader van artikel 40a van de Regeling rechtvaardigen.
De beroepscommissie maakt uit de stukken op dat klager de voorwaarde om niet terug te mogen keren naar Nederland – na ruim twee jaar – heeft overtreden, omdat hij na het doen van inkopen in Duitsland is afgegaan op de door zijn navigatie aangegeven route naar België. Klager stelt dat het hem niet bekend was welke route dit betrof en dat hij na enige tijd zag dat hij de grens met Nederland naderde, maar dat het niet meer mogelijk was om van de snelweg af te draaien, waardoor hij de Nederlandse grens passeerde. Klager is bij de grenscontrole aangehouden op verdenking van het overtreden van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. Hij is dezelfde dag verhoord, waarna het Openbaar Ministerie heeft besloten de zaak tegen klager te seponeren, omdat er kennelijk geen opzet in het spel was. Verder lijkt klager zijn leven in België op orde te hebben. Hij is getrouwd en werkt in een bakkerij. Ter onderbouwing daarvan heeft hij stukken overgelegd. Tot slot is klager niet meer in contact geweest met politie en justitie.
Verweerder heeft het voorgaande niet aangemerkt als zeer uitzonderlijke omstandigheden. Volgens verweerder mag van klager extra zorgvuldigheid worden verwacht voor zijn route richting huis en komt het voor zijn eigen risico dat hij in Nederland terecht is gekomen.
De beroepscommissie is evenwel van oordeel dat verweerder – gelet op alle voornoemde omstandigheden tezamen – onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. De beroepscommissie neemt hierbij in aanmerking dat klager stelt dat hij dacht dat hij dezelfde route als de heenweg terug zou nemen richting België. Dat komt de beroepscommissie niet onaannemelijk voor. Datzelfde geldt voor het niet meer kunnen keren op de snelweg op het moment dat klager bewust werd van de route. Anders dan in RSJ 16 februari 2023, 22/30675/GV, was er geen sprake van een bewustgemaakte keuze om via Nederland te rijden.
Gelet op het voorgaande is de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd. De beroepscommissie zal het beroep daarom gegrond verklaren en de bestreden beslissing vernietigen. Zij zal verweerder opdragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen een termijn van twee weken na ontvangst daarvan. De beroepscommissie ziet geen aanleiding om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing. Zij draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen een termijn van twee weken na ontvangst daarvan. Zij kent klager geen tegemoetkoming toe.
Deze uitspraak is op 4 november 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, voorzitter, F. van Dekken en mr. dr. A. Pahladsingh, leden, bijgestaan door mr. M. Olde Keizer, secretaris.
secretaris voorzitter