Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 24/44207/GA, 10 december 2025, beroep
Uitspraakdatum:10-12-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer           24/44207/GA

Betreft [klager]

Datum  10 december 2025

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen het (vermeend) niet doorsturen van zijn ingediende klachten naar de Commissie van Toezicht (CvT), waardoor hij wordt belemmerd in zijn beklagrecht.

De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Krimpen aan den IJssel heeft op 17 oktober 2024 het beklag ongegrond verklaard (IJ-2024-1212). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klager heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft klager en de directeur van de PI Krimpen aan den IJssel (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

De beroepscommissie heeft aanvullende vragen gesteld aan de directeur. De directeur heeft daar op 8 oktober 2025 op gereageerd. De beroepscommissie heeft deze reactie toegestuurd aan klager om daarop binnen een gegeven termijn schriftelijk te reageren. Klager heeft gebruikgemaakt van deze mogelijkheid. Deze reactie heeft de beroepscommissie ter kennisgeving toegestuurd aan de directeur.

 

2. De beoordeling

Op grond van artikel 60, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) draagt de directeur zorg dat een gedetineerde die beklag wenst te doen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.

Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Pbw kan de indiening van het klaagschrift door tussenkomst van de directeur van de inrichting waar de gedetineerde verblijft geschieden. De directeur draagt in dat geval zorg dat het klaagschrift of, indien het klaagschrift zich in een envelop bevindt, de envelop van een dagtekening wordt voorzien, welke geldt als dag van indiening.

Ontvankelijkheid in het beklag

Klager stelt dat hij op 9 september 2024 twee klachten (van 5 en 6 september 2024) in twee rode enveloppen in de daarvoor bestemde brievenbus heeft gedaan, opdat deze door de directeur naar de CvT zouden worden doorgestuurd. Dit is volgens klager niet gebeurd. De directeur heeft desgevraagd toegelicht dat rode enveloppen in de postbus voor de CvT kunnen worden gedaan en dat deze door het Bureau Management Ondersteuning (BMO) per post naar de CvT worden verstuurd. Er is volgens de directeur geen reden om deze enveloppen niet door te zenden naar de CvT.

Gelet op het standpunt van de directeur staat vast dat door of namens hem niet uitdrukkelijk is beslist om de klachten niet door te sturen naar de CvT. Er is in die zin geen sprake van een beslissing van de directeur waartegen beklag kan worden ingesteld op grond van artikel 60, eerste lid, van de Pbw.

In dat geval is de vraag of de directeur – volgens klager – structureel en in belangrijke mate jegens hem tekortschiet in zijn verzorgende taken. Klager stelt dat twee klachten (daterend van 5 en 6 september 2024) niet zijn doorgezonden naar de CvT. De beroepscommissie begrijpt uit de stukken dat de klacht daarmee niet ziet op het structureel tekortschieten in de verzorgende taken van de directeur. Het niet doorsturen van klachten is echter wel een zodanige schending van de op de directeur rustende zorgplicht als bedoeld in de artikelen 60, derde lid en 61, tweede lid, van de Pbw, dat daartegen naar het oordeel van de beroepscommissie ook bij een incident moet kunnen worden geklaagd. Klager is daarom terecht ontvangen in zijn beklag.

Inhoudelijke beoordeling

De directeur heeft toegelicht dat de postbus op de leefafdeling, met alle enveloppen en overige poststukken, wordt geleegd door het beveiligingspersoneel. Het beveiligingspersoneel zorgt ervoor dat de enveloppen in de juiste postvakken terechtkomen. Rode enveloppen worden in de postbus voor de CvT gedaan en deze wordt geleegd door het BMO. Het BMO stuurt deze vervolgens per post op naar de CvT. Er is volgens de directeur geen enkele reden om deze niet door te zenden naar de CvT.

Uit het klaagschrift leidt de beroepscommissie af dat klagers andere klachten over hetzelfde onderwerp wel bij de CvT zijn aangekomen. Ook stelt klager in zijn beroepschrift dat zijn klachten van 7, 8 en 9 september 2024 bij de CvT zijn aangekomen.

Bovenstaand in onderling verband en samenhang bezien, is het naar het oordeel van de beroepscommissie onvoldoende aannemelijk geworden dat het doorsturen van de klachten op 9 september 2024 niet op de juiste wijze is verlopen. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat de rode enveloppen (met daarin de klachten van 5 en 6 september 2024) door toedoen van de inrichting niet bij de CvT zijn aangekomen en dat de directeur in belangrijke mate is tekortgeschoten in zijn verzorgende taken.

Gelet op het voorgaande is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagrechter het beklag terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter met aanvulling van de gronden.

 

Deze uitspraak is op 10 december 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. R.A.E. van Noort, voorzitter, mr. A.B. Baumgarten en mr. L.C.P. Goossens, leden, bijgestaan door mr. L.A.E. Rijnja, secretaris.

 

secretaris         voorzitter

Naar boven