Nummer 25/48730/GB
Betreft [klager]
Datum 28 oktober 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
De (toenmalig) Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) heeft op 24 april 2025 beslist de extramurale fase in het kader van de aan klager opgelegde maatregel van plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders (ISD-maatregel) te beëindigen en klager te plaatsen in de ISD van de Penitentiaire Inrichting (PI) Achterhoek te Zutphen.
Klager heeft daartegen bezwaar ingesteld. Verweerder heeft op 20 mei 2025 het bezwaar ongegrond verklaard.
Klagers raadsvrouw, mr. B.I. Keukens, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
Klager wilde in gesprek gaan met zijn psychiater over zijn medicatie. Er werd hem geen tijd gegund om na te denken over de voorgestelde medicatie. Het innemen van de voorgeschreven medicatie was geen voorwaarde voor deelname aan de extramurale fase. Klager had in de PI Achterhoek al documenten ondertekend waarin informatie-uitwisseling met onder meer de reclassering wordt toegestaan. Hij heeft hier in de Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA) Mondriaan alleen aan toegevoegd dat hij graag op de hoogte wil worden gebracht als deze informatie-uitwisseling plaatsvindt. De voorwaarden voor deelname aan de extramurale fase zijn dus niet geschonden. Om dit te onderbouwen verzoekt klager om de gesprekverslagen van de FPA Mondriaan en/of van de reclassering op te vragen.
Er is in dit geval geen sprake van een zeer bijzondere situatie die noopte tot directe plaatsing in de ISD van de PI Achterhoek. Bovendien is in de beslissing van verweerder van 24 april 2025 niet gemotiveerd waarom in dit geval versneld tot plaatsing is overgegaan, terwijl dit wel is voorgeschreven. Klager verwijst in dit kader naar RSJ 28 oktober 2014, 14/3045/GB, RSJ 5 maart 2012, 11/4353/GB en RSJ 28 juli 2015, 15/0792/GB. De enkele e‑mail van de FPA Mondriaan van 22 april 2024 (die niet in de beslissing van 24 april 2025 is genoemd) waarin wordt vermeld dat is besloten tot beëindiging van de behandeling is onvoldoende om te spreken van een juiste belangenafweging.
Klager verzoekt daarnaast om zijn medisch dossier op te vragen bij de FPA Mondriaan. De diagnose van psychose is nooit bij klager gesteld. Hij gaat hiervoor onderzocht worden in het ziekenhuis. De diagnose van klager is relevant voor de beoordeling van de noodzaak van medicatiegebruik.
Bovendien lijkt hetgeen gebeurd is in de ochtend van 18 april 2025 voor de FPA Mondriaan van doorslaggevende invloed te zijn geweest bij het besluit om klagers behandeling te beëindigen. Klager wil daarom een verslag van de bevindingen van de politie hieromtrent. Klager betwist namelijk de beschreven gang van zaken; hij heeft geen snijbewegingen gemaakt met het glas. Indien geen bevindingen van de politie kunnen worden opgevraagd, wordt verzocht deze beelden bij de FPA Mondriaan op te vragen.
Standpunt van verweerder
In tegenstelling tot hetgeen klager stelt in zijn beroepschrift, blijkt duidelijk dat klager in gesprekken met medewerkers van de FPA Mondriaan aangeeft geen toestemming te geven voor het delen van informatie. Ook is te lezen dat klager is weggelopen uit het gesprek omdat hij er geen zin meer in had. Verder heeft klager kenbaar gemaakt niet open te staan voor medicatie. Dit terwijl er volgens de arts en psychiater sprake lijkt te zijn van een floride psychotisch toestandsbeeld. Verweerder betwist dan ook dat klager zijn medewerking zou hebben verleend aan de (voorgestelde) behandeling.
De inrichting heeft aangegeven dat de FPA Mondriaan op 17 april 2025 contact heeft gezocht met de inrichting, waarna − in overleg met regiebehandelaar, de directie van de inrichting en een toezichthouder van de reclassering − is besloten om klager een “time-out” te geven. Klager is op 18 april 2025 om die reden (voorlopig) teruggeplaatst op de ISD-afdeling van de PI Achterhoek.
De beëindiging van de behandeling van klager biedt voldoende grondslag voor de directeur om − conform het bepaalde in het eerste lid van artikel 44m van de Penitentiaire maatregel (Pm) − te adviseren klager terug te plaatsen (naar de gesloten ISD-afdeling) in de inrichting. Klager is immers niet (meer) in staat of bereid deel te nemen aan het programma in de laatste fase buiten de inrichting dan wel te voldoen aan de daaraan verbonden voorwaarden. Verweerder verwijst in dit kader naar RSJ 7 april 2025, 24/45127/GB.
Ten aanzien van de verzoeken tot het opvragen van stukken/camerabeelden bij de FPA Mondriaan geldt dat – nog afgezien van de haalbaarheid ervan – geen aanleiding wordt gezien om meer informatie op te vragen. Op grond van de beschrijving van de feiten en omstandigheden in het selectieadvies en de overige overgelegde stukken is voldoende aannemelijk geworden dat klager zich niet heeft gecommitteerd aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de extramurale fase van zijn ISD-traject.
3. De beoordeling
Opmerking vooraf
Voor zover namens klager wordt verzocht om stukken en/of camerabeelden op te vragen bij de FPA Mondriaan, dan wel de politie, wijst de beroepscommissie dit verzoek af. De informatie in het selectieadvies en de overige stukken is namelijk voldoende concreet om het beroep te kunnen beoordelen.
De situatie
Klager verbleef in het kader van zijn extramurale fase in de FPA Mondriaan. Uit de stukken blijkt dat hij op 18 april 2025 door de directeur (tijdelijk) in de ISD van de PI Achterhoek is geplaatst. Verweerder heeft vervolgens – op advies van de directeur van de inrichting – beslist om klagers extramurale fase te beëindigen.
De regelgeving
Op grond van artikel 44m, eerste lid, van de Pm kan verweerder een gedetineerde – op grond van een advies van de directeur – terugplaatsen in de inrichting, als de gedetineerde niet (meer) in staat of bereid is om deel te nemen aan het programma in de laatste fase buiten de inrichting (de extramurale fase) of om te voldoen aan de voorwaarden die daaraan zijn verbonden.
De beslissing van de directeur
Klagers raadsvrouw stelt dat klager al op 18 april 2025 is teruggeplaatst in de inrichting en dat verweerder in de beslissing van 24 april 2025 had moeten motiveren waarom in dit geval versneld tot terugplaatsing is overgegaan. Zij verwijst in dat kader naar RSJ 28 oktober 2014, 14/3045/GB, RSJ 5 maart 2012, 11/4353/GB en RSJ 28 juli 2015, 15/0792/GB. In die uitspraken heeft de beroepscommissie geoordeeld dat het in zeer bijzondere gevallen mogelijk is dat een terugplaatsing van een gedetineerde plaatsvindt zonder dat aan die plaatsing een beslissing van verweerder ten grondslag ligt. In een dergelijk geval zou in de kort na de terugplaatsing te geven beslissing van verweerder die plaatsing bevestigd moeten worden waarbij gemotiveerd zou moeten worden waarom de bijzonderheden van het geval vereisten dat versneld tot terugplaatsing is overgegaan. De beroepscommissie komt daar in deze uitspraak op terug. Voor het handelen van de directeur staat immers een beklagprocedure open bij de beklagcommissie. Het is de beroepscommissie overigens ambtshalve bekend dat klager beklag heeft ingesteld tegen de beslissing van de directeur van 18 april 2025 en dat hij heeft verzocht om schorsing van die beslissing. De voorzitter van de beroepscommissie heeft dat schorsingsverzoek afgewezen (RSJ 9 mei 2025, 25/48205/SGA).
Inhoudelijke beoordeling beslissing verweerder
Uit het selectieadvies van 22 april 2025 blijkt dat klager in eerste instantie geen toestemming wilde geven voor het uitwisselen van informatie en overleggen met zowel de casemanager als de reclassering. Hij zou later wel de toestemmingsverklaring hebben doorgenomen, maar hierbij grensoverschrijdende uitlatingen hebben gedaan richting politie en justitie. Klager heeft het gesprek uiteindelijk verlaten omdat hij er geen zin meer in zou hebben.
Klager heeft daarnaast in een gesprek met de arts in opleiding tot specialist aangegeven niet open te staan voor medicatie. Vanuit de FPA Mondriaan en de reclassering is vervolgens voorgesteld om klager tijdelijk terug te plaatsen in de ISD van de PI Achterhoek, zodat hij kan nadenken over zijn wens en motivatie omtrent de behandeling en zodat er in de PI gestart kan worden met de medicatie. In overleg met de regiebehandelaar van de PI Achterhoek, de toezichthouder van de reclassering en de directeur van de PI Achterhoek is vervolgens besloten om klager (tijdelijk) in de ISD van de PI Achterhoek te plaatsen.
Toen klager werd opgehaald om naar de PI Achterhoek vervoerd te worden, heeft hij zich verzet waardoor de politie geweld heeft moeten gebruiken. Uit de e-mail van de kliniek van 22 april 2025 blijkt dat de FPA Mondriaan daarna heeft besloten om klagers behandeling en opname definitief te beëindigen.
De beroepscommissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de beslissing van het gespecialiseerde personeel van de FPA (om de behandeling te beëindigen) goed te volgen is. In het verlengde daarvan is ook de beslissing van verweerder om klagers extramurale fase te beëindigen goed te volgen.
Hoewel namens klager in beroep wordt aangevoerd dat de gang van zaken op bepaalde punten anders zou zijn verlopen dan hoe dat nu uit de stukken blijkt en dat hij altijd de intentie heeft gehad om in gesprek te blijven gaan over de geschilpunten, is het voor de beroepscommissie
van beslissende betekenis dat er in dit geval vanuit de FPA te kennen is gegeven dat de behandeling wordt stopgezet. Het personeel van de FPA heeft immers het beste zicht op de toestand van klager en kan op grond daarvan een goed oordeel geven over de effecten van een eventuele terugplaatsing in de inrichting (vergelijk RSJ 7 april 2025, 24/45127/GB).
Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de bestreden beslissing niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.
4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 28 oktober 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. C. Fetter, voorzitter, mr. F.H.J. van Gaal en mr. F. Sieders, leden, bijgestaan door mr. L.M.E. van Horssen, secretaris.
secretaris voorzitter