Nummer 25/48611/TA
Betreft [Klager]
Datum 24 oktober 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[Klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Het beklag ziet op het niet goed aanhoren/onderzoeken van klagers klachten door de aan de instelling verbonden arts en verpleegkundige en hem niet in de gelegenheid stellen om een second opinion in te winnen dan wel zich in een ziekenhuis te laten onderzoeken.
De beklagcommissie bij FPC Van der Hoeven Kliniek te Utrecht (hierna: de instelling) heeft op 7 mei 2025 het beklag ongegrond verklaard (HK2025/15). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.
Klagers raadsvrouw, mr. E.M.J.W. Jaspar, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en het hoofd van de instelling in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
De aan de instelling verbonden arts heeft zonder nader onderzoek geconcludeerd dat klagers aanhoudende klachten te herleiden zijn tot het prikkelbaar darmsyndroom. Klager heeft echter vanaf het begin kenbaar gemaakt dat hij zich zorgen maakt over de mogelijkheid van een ernstiger medische oorzaak, zoals teelbalkanker of een andere lichamelijke afwijking. Hoewel inmiddels een teelbalonderzoek is verricht, is dit pas gebeurd nadat de beklagcommissie had ingegrepen en een aanvullend consult bij de aan de instelling verbonden arts had aanbevolen. Dit geeft al aan dat de oorspronkelijke afweging van de medische dienst niet zorgvuldig was. Daarmee is sprake van een schending van de medische zorgplicht van artikel 41 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt). De beklagcommissie stelt dat de klacht is opgelost omdat een teelbalonderzoek heeft plaatsgevonden. Dit is echter slechts een gedeeltelijk antwoord op zijn klachten. De kern van klagers beklag is dat er geen adequaat medisch traject is aangeboden dat heeft geleid tot een volledige diagnose van de oorzaak van zijn klachten. Het teelbalonderzoek heeft één oorzaak uitgesloten, maar laat zijn klachten voor de rest onverklaard. De beklagcommissie stelt dat het verzoek om een darmonderzoek een nieuwe klacht zou zijn. Dit is een onjuiste en te enge uitleg van de oorspronkelijke klacht. Klager heeft steeds betoogd dat zijn klachten mogelijk duiden op een ernstiger medische kwaal dan het prikkelbaar darmsyndroom. Hij heeft direct na het teelbalonderzoek aangegeven zich zorgen te maken en dat hij adequate medische stappen wenst. Hij heeft meermaals om een vervolgonderzoek verzocht. De verwijzing voor een darmonderzoek is dan ook geen nieuwe klacht, maar valt onder de geldende medische zorgplicht van de instelling. Klager heeft nog steeds geen volledig uitsluitsel gekregen van (de oorzaak van) zijn medische problematiek. De beklagcommissie stelt dat een verwijzing voor een darmonderzoek een medisch inhoudelijk oordeel betreft en dat zij niet bevoegd is hierover te oordelen. Het gaat echter om de vraag of een beslissing voldoende zorgvuldig is genomen en of de zorgplicht is nageleefd. Het enkele feit dat een beslissing medisch inhoudelijk van aard is, betekent nog niet dat deze aan iedere toetsing door de beklagcommissie onttrokken zou zijn. De afwijzing van aanvullend onderzoek is niet gebaseerd op een volledig medische afweging, maar op een te snelle conclusie van de aan de instelling verbonden arts zonder onderzoek. De zorgplicht van artikel 41 van de Bvt vereist echter meer, zeker bij aanhoudende en niet verklaarde klachten. Klager verzoekt om het beroep gegrond te verklaren en om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.
Standpunt van het hoofd van de instelling
Het hoofd van de instelling heeft verwezen naar wat in de beklagprocedure is ingebracht. In aanvulling daarop is naar voren gebracht dat uit navraag bij de medische dienst is gebleken dat klager bij de medische dienst niet heeft verzocht om een vervolgonderzoek voor zijn darmproblemen.
3. De beoordeling
Artikel 56 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) biedt de verpleegde de mogelijkheid van beklag tegen bepaalde in dit artikel opgesomde beslissingen, genomen door of namens het hoofd van de instelling.
De beroepscommissie stelt vast dat het beklag is gericht tegen de handelswijze van de medische dienst, in het bijzonder het niet doorverwijzen van klager door de aan de instelling verbonden arts naar een medisch specialist in het ziekenhuis om uit te sluiten dat sprake is van terugkeer van teelbalkanker.
Niet het hoofd van de instelling, maar de aan de instelling verbonden arts beslist over de inhoud van de medische behandeling en de eventuele verwijzing naar een specialist in het ziekenhuis (zie RSJ 26 augustus 2014, 14/1836/TA). Het beklag heeft betrekking op het medisch handelen van de aan de instelling verbonden arts en niet op een beslissing van het hoofd van de instelling, waartegen beklag openstaat. Daar komt bij dat de Bvt niet voorziet in de mogelijkheid van beklag en beroep tegen medisch handelen van een aan de instelling verbonden arts. Klager had daarom niet in zijn klacht mogen worden ontvangen.
Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie de uitspraak van de beklagcommissie vernietigen en klager alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn beklag.
Ten overvloede overweegt de beroepscommissie dat, voor zover het beklag is gericht tegen de gestelde omstandigheid dat klager niet in de gelegenheid is gesteld om op grond van artikel 41, tweede lid, van de Bvt een second opinion te vragen, uit de stukken blijkt dat klager zijn wens voor een second opinion niet voorafgaand aan het indienen van zijn klaagschrift bij de medische dienst kenbaar heeft gemaakt.
4. De uitspraak
De beroepscommissie vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart klager alsnog niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Deze uitspraak is op 24 oktober 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter, P.Th.H. Richelle en mr. D. van der Sluis, leden, bijgestaan door mr. G.J.M. Ankersmit, secretaris.
secretaris voorzitter