Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/46628/GA, 21 januari 2026, beroep
Uitspraakdatum:21-01-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/46628/GA

Betreft [klager]

Datum 21 januari 2026

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen de maatregelen die hem op 13 juni 2024 zijn opgelegd vanwege zijn status als gedetineerde met een vlucht-/maatschappelijk risico (GVM‑maatregelen).

De beklagcommissie bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Arnhem heeft op 5 februari 2025 het beklag ongegrond verklaard (A-2024-488). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

Klagers raadsvrouw, mr. D.N.A. Brouns, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en de directeur van de PI Arnhem (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

De directeur heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom de (voortzetting van de) de GVM-maatregelen noodzakelijk zou zijn. De informatie is niet meer actueel, betrouwbaar en voldoende concreet. Klager betwist de uitgelichte incidenten en beschuldigingen en deze zijn van geruime tijd geleden. Ook komt onvoldoende naar voren dat de directeur een eigen belangenafweging heeft gemaakt. Er is niet kenbaar gemaakt hoe klagers persoonlijke belangen zijn afgewogen tegen het belang om klager de GVM‑maatregelen op te leggen.

Klager verzoekt om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.

Standpunt van de directeur

Klager staat sinds 11 januari 2023 op de GVM-lijst met risicoprofiel ‘hoog’. Klager is in het Operationeel Overleg (OO) van 12 juli 2023 en 10 januari 2024 besproken. Daarin is besloten dat klagers status onveranderd blijft. De verstrekte informatie is op actualiteit, betrouwbaarheid en concreetheid getoetst door zowel het Openbaar Ministerie als de Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP)-officier en de directeur. Op grond van de beschikbare en relevante informatie – afkomstig uit meerdere bronnen – heeft de directeur een zelfstandige en zorgvuldige belangenafweging gemaakt.

Klager wordt gekenmerkt door een patroon van ernstig ontwrichtend gedrag binnen zowel de tbs-kliniek als binnen de penitentiaire inrichtingen waar hij is geplaatst. Dit gedrag omvat onder andere het ontvluchten tijdens begeleid verlof met behulp van een derde partij, het plegen van ernstig geweld met zware verwondingen als gevolg, het herhaaldelijk ondermijnen van detentieregels door ongeoorloofd contact met de buitenwereld en het bedreigen van personeel. Klager heeft herhaaldelijk aangetoond dat hij zich niet houdt aan de gestelde beperkingen en actief zoekt naar mogelijkheden om deze te omzeilen. Zijn structurele neiging tot het ondermijnen van gezag, het onderhouden van ongeoorloofde contacten en het uiten van bedreigende taal onderstrepen de noodzaak van streng toezicht. Gelet op het vastgestelde risicoprofiel en de daaruit voortvloeiende dreiging die klager vormt voor de orde en veiligheid binnen de inrichting – waaronder zowel de veiligheid van het personeel als van klager zelf – is de oplegging en voortduring van strikte GVM-maatregelen noodzakelijk.

Hoewel bepaalde informatie betrekking heeft op gebeurtenissen die al enige tijd geleden hebben plaatsgevonden en er in het geval van klager geen GRIP-rapportages zijn opgesteld, betekent dit niet dat de informatie niet meer als actueel, betrouwbaar en concreet kan worden aangemerkt. De recente beslissing van het OO om klagers GVM-status ‘hoog’ te handhaven, met de bijbehorende indicaties (A, E en F), bevestigt dat het risico op ontvluchting, ondermijning van gezag en ongeoorloofde contacten met slachtoffers en/of nabestaanden reëel en actueel blijft.

De directeur is zonder deze maatregelen niet voldoende in staat invulling te geven aan zijn verantwoordelijkheden tegenover klager en het inrichtingspersoneel. Tegelijkertijd zijn de belangen van klager betrokken bij de beoordeling, inclusief de mogelijk ingrijpende gevolgen van de maatregelen voor klagers persoonlijke situatie.

 

3. De beoordeling

De directeur kan toezichtsmaatregelen opleggen aan een gedetineerde die is geplaatst op de GVM-lijst, als dit noodzakelijk is in verband met de handhaving van de orde en veiligheid in de inrichting. Voordat de directeur hiertoe beslist, dient hij of zij een eigen belangenafweging te maken over de noodzaak van die toezichtsmaatregelen. De beslissing moet worden genomen op basis van (ten minste) de informatie van het GRIP (indien van toepassing), de visie van de directeur en de informatie die de gedetineerde verschaft tijdens het horen door de directeur.

Uit de GVM-circulaire (van 8 juli 2021) volgt dat elke GVM-gedetineerde na een halfjaar opnieuw in het OO wordt besproken en herbeoordeeld. Dat kan ook eerder als daar aanleiding voor is. Het OO weegt bij de herbeoordeling af of het beoogde effect met de maatregelen wordt bereikt en wat de noodzaak is tot het blijven volgen van de gedetineerde via de GVM-lijst en de voortzetting van de getroffen maatregelen, eventueel in gewijzigde vorm. De secretaris van het OO verstrekt na de herbeoordeling in het OO een schriftelijke terugkoppeling van de conclusies van de bespreking aan de directeur van de desbetreffende PI. De directeur beoordeelt aan de hand van deze terugkoppeling of de opgelegde (toezichts)maatregelen aanpassing behoeven.

Klager is (sinds januari 2023) op de GVM-lijst geplaatst in de categorie ‘hoog’ vanwege het risico op ontvluchting en/of bevrijding van buitenaf, ondermijning van gezag van directie en personeel in de inrichting en ongeoorloofde contacten met slachtoffers en/of nabestaanden. Klager is op 10 januari 2024 besproken in het OO en daarin is besloten dat klagers status ongewijzigd blijft.

Ter onderbouwing van de maatregelen wordt in de bestreden beslissing verwezen naar verschillende incidenten die zich in de periode van eind 2022 tot en met 23 januari 2024 hebben voorgedaan. Zo is klager eind 2022, tijdens begeleid verlof vanuit de tbs-kliniek, gevlucht en heeft hij een persoon zeer ernstig letsel toegebracht. Nadat klager is gearresteerd heeft hij ongeoorloofde contacten getracht te krijgen en gehad met personen buiten de PI. In juli 2023 is klager op de afdeling voor beheersproblematische gedetineerden geplaatst, omdat klager consequent de rust op de afdeling en daarmee de orde, rust en veiligheid op de Afdeling Intensief Toezicht ontwrichtte.

In oktober 2023 is aan klager een disciplinaire straf opgelegd omdat uit een afgeluisterd telefoongesprek bleek dat klager meermaals (be)dreigende taal heeft geuit jegens personeel en andere zorgwekkende uitspraken heeft gedaan.

In januari 2024 heeft klager het met een gescreend contact over ‘een maatje’ (ongescreend) gehad waarmee hij in contact wilde komen. Klager liet zich hier niet op aanspreken door het personeel en probeerde op andere manieren alsnog contact te leggen met een ongescreend contact. In diezelfde maand heeft klager via een gescreend contact gesproken met een ongescreend persoon. Ook volgt uit de beslissing dat klager in het verleden zijn screeningsverzoeken niet naar waarheid heeft ingevuld.

Uit de bestreden beslissing blijkt niet van incidenten van na januari 2024 en ook niet van meer recente informatie van (bijvoorbeeld) het GRIP of het OO die in de belangenafweging van de directeur is betrokken. Uit de stukken volgt namelijk dat klager als laatst op
10 januari 2024 is besproken in het OO. Hoewel er (ten tijde van het nemen van de beslissing) vijf maanden waren verstreken sinds klagers laatste (her)beoordeling in het OO, geeft de overplaatsing van klager naar de PI Arnhem naar het oordeel van de beroepscommissie voor de directeur niet direct aanleiding om klager al eerder (dan bij zes maanden) in het OO te (laten) bespreken. Dat de informatie (deels) ziet op gebeurtenissen die zich al langer geleden hebben afgespeeld, maakt naar het oordeel van de beroepscommissie – mede gelet op de ernst van de bovengenoemde informatie – niet dat deze informatie niet meer als actueel, betrouwbaar en concreet kan worden aangemerkt. Deze informatie vormt naar het oordeel van de beroepscommissie ook voldoende onderbouwing voor de noodzaak tot de voortzetting van de GVM‑maatregelen. De directeur heeft, tot slot, voldoende blijk gegeven van een eigen belangenafweging, waarbij hij de visie van klager, voortkomend uit het hoorgesprek, heeft betrokken.

Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de beslissing van de directeur niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren en de uitspraak van de beklagcommissie bevestigen met aanvulling van de gronden.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie met aanvulling van de gronden.

 

Deze uitspraak is op 21 januari 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. R.A.E. van Noort, voorzitter, mr. L.C.P. Goossens en mr. S.C.M. Wouda-van Velzen, leden, bijgestaan door mr. L.A.E. Rijnja, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven