Nummer 24/41721/GA
Betreft klager
Datum 26 januari 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van klager (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft beklag ingesteld tegen:
- een disciplinaire straf van vijf dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, vanwege fysiek geweld, ingaande op 21 maart 2024 (KL-2024-43);
- de beslissing van 26 maart 2024 om hem niet in aanmerking te laten komen voor promotie naar het plusprogramma voor een periode van vier weken (KL-2024-70);
De beklagcommissie bij de locatie Klein Bankenbosch te Veenhuizen heeft op 28 juni 2024 de klachten ongegrond verklaard. De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.
Klagers raadsman, mr. V. Mes, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en de directeur van de locatie Klein Bankenbosch (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
De beroepscommissie heeft aanvullende vragen gesteld aan de directeur. De directeur heeft daar op 7 januari 2026 op gereageerd. Deze reactie is ter kennisgeving toegestuurd aan de raadsman van klager.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
Klager voelde zich bedreigd en werd geslagen door zijn medegedetineerde. Klager heeft enkel teruggeduwd uit zelfverdediging. Er is sprake van noodweer. De aanvang van de vechtpartij is door de inrichtingswerkers niet waargenomen, dit ondersteunt het standpunt van klager dat hij zichzelf moest verdedigen. Er was immers geen personeel aanwezig om in te grijpen. Klager heeft verzocht om camerabeelden te kijken maar dit is tot op heden niet gebeurd. De opgelegde disciplinaire straf is ongegrond dan wel disproportioneel. Om diezelfde redenen is ook de beslissing om klager uit te sluiten van promotie ongegrond. Klager verzoekt om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.
Standpunt van de directeur
De directeur heeft verwezen naar zijn verweerschriften in de beklagprocedure. Klager heeft op 21 maart 2024 gevochten met een medegedetineerde op de binnenplaats. Het inrichtingenpersoneel heeft dit gezien. Volgens klager was de aanleiding dat de medegedetineerde een pak shag van klager tegoed had. Fysiek geweld in de inrichting is onverenigbaar met de orde en veiligheid in de inrichting, dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. De opgelegde disciplinaire straf is niet onredelijk noch onbillijk.
3. De beoordeling
Beklag a
Op basis van de stukken is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie beklag a terecht ongegrond heeft verklaard. Voor klagers standpunt dat hij geen inzage heeft gehad in de camerabeelden geldt als uitgangspunt dat het van belang wordt geacht dat camerabeelden worden bewaard voor een beklag- en beroepsprocedure (vgl. RSJ 26 april 2019, R-18/1788/GA, RSJ 7 augustus 2019, R-18/2227/GA en RSJ 9 april 2020, R-19/4587/GA). In dit geval acht de beroepscommissie het (alsnog) bekijken van de camerabeelden evenwel niet noodzakelijk. Zij overweegt daartoe als volgt. Volgens het schriftelijk verslag van 21 maart 2024 hebben klager en een medegedetineerde tijdens het luchten gevochten op de binnenplaats (omstreeks 08:20 uur). De gedetineerden sloegen elkaar. Personeel heeft dit gezien en hen uit elkaar gehaald. De aanwezigheid van personeel, de binnenplaats als plaats waar het feit plaatvond en de beschrijving door de medewerker (‘sloegen elkaar’), zijn zulke sterke aanwijzingen dat klager redelijke alternatieven had voor zijn (re)actie, dat het bekijken van de camerabeelden naar het oordeel van de beroepscommissie niets zal afdoen aan de vaststelling van deze feiten. Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard.
Beklag b
De directeur heeft, naar aanleiding van aanvullende vragen van de beroepscommissie, toegelicht dat klager ten tijde van de besteden beslissing een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) onderging. In de bestreden beslissing wordt artikel 1d, eerste lid, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden genoemd. Op grond van deze bepaling is de directeur bevoegd om te beslissen over het promoveren en degraderen van een gedetineerde. De directeur heeft het fysieke geweld op de luchtplaats als ‘ontoelaatbaar gedrag’ op grond van het toetsingskader ‘stimuleren en ontmoedigen’ (zoals beschreven in bijlage 1 van de Regeling) aangemerkt. Uit artikel 1b van de Regeling volgt echter dat gedetineerden die een ISD-maatregel ondergaan zijn uitgesloten van deelname aan het programma van promoveren en degraderen, waardoor het toetsingskader ‘stimuleren en ontmoedigen’ niet op hen van toepassing is. De beroepscommissie begrijpt echter wel dat de directeur hiervan gebruik heeft gemaakt om klagers gedrag (nader) te kunnen duiden (vergelijk RSJ 6 november 2024, 24/41690/GA). De beroepscommissie neemt dan ook aan, op basis van de stukken in het dossier, dat de directeur met de bestreden beslissing beoogde om klager gedurende een periode van vier weken niet te laten promoveren van fase 1 naar fase 2 van de ISD-maatregel.
De beroepscommissie van oordeel dat de directeur, gelet op het gedrag van klager, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om klager voor een periode van vier weken niet in aanmerking te laten komen voor fase 2.
Het beroep zal daarom ook in zoverre ongegrond worden verklaard.
4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie met aanvulling van de gronden.
Deze uitspraak is op 26 januari 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. F. Sieders, voorzitter, mr. E.B.J. van Elden en mr. J.J. Klomp, leden, bijgestaan door mr. R.S. Levie, secretaris.
secretaris voorzitter