Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/48672/JB, 10 oktober 2025, beroep
Uitspraakdatum:10-10-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/48672/JB

Betreft [klager]

Datum 10 oktober 2025

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager], geboren op [geboortedatum] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft een verzoek gedaan tot overbrenging naar de instelling voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ) De Catamaran, te Eindhoven, op grond van artikel 12, achtste lid, van de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen (Bjj).

De (toenmalig) Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) heeft dat verzoek op 21 mei 2025 afgewezen.

Klager heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld.

Mr. M. Jonk heeft zich op 29 juli 2025 gesteld als klagers raadsman.

De beroepscommissie heeft klager, mr. T. Novaković, waarnemend namens klagers raadsman, en de selectiefunctionaris, namens verweerder, gehoord op de zitting van 2 september 2025 in de rechtbank Midden-Nederland te Utrecht. Een selectiefunctionaris was als toehoorder aanwezig.

De beroepscommissie heeft de brief die klager tijdens de zitting heeft voorgelezen ingescand en toegestuurd aan partijen.

Verweerder heeft haar zittingsaantekeningen aan de beroepscommissie toegestuurd en de beroepscommissie heeft deze gedeeld met klager en zijn raadsman.

De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie op het beroepschrift en de overige stukken.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Klager wil worden overgeplaatst naar De Catamaran voor een zo gunstig mogelijke behandeling en zijn toekomst. Hij zit niet op zijn plek in de behandelgroep en heeft het gevoel dat hij steeds meer verhard raakt. Hij is de jongste van de groep. Hij kan zijn emoties steeds minder uiten.

Bij klager is PTSS vastgesteld. Zijn trauma’s worden in de Justitiële Jeugdinrichting (JJI) Teylingereind te Sassenheim getriggerd, waardoor hij zich niet kan ontwikkelen. De JJI is als inrichting meer gericht op vasthouden dan op behandelen. Hij wil bij De Catamaran een nieuwe start maken. Die instelling is gericht op behandeling en kan klagers problematiek goed behandelen. Ook is het zeer onwaarschijnlijk dat klagers problematiek te complex zou zijn voor behandeling in De Catamaran, aangezien die instelling juist gericht is op psychische hulp. Verweerder had die informatie bij De Catamaran moeten opvragen en niet bij de JJI.

Het is onterecht dat de directeur van de JJI Teylingereind (hierna: de directeur) zegt dat dit overplaatsingsverzoek past binnen klagers problematiek.

Ook zorgt overplaatsing niet voor vertraging van zijn behandeling, maar juist voor voortgang van zijn behandeling door opnieuw te beginnen. Klager heeft inmiddels de interventie ‘leren van delict’ afgerond. Hij moet alleen nog de presentatie doen. Die wil hij ook doen, maar hij wil niet dat zijn moeder daarbij is. Dat moet wel van de JJI, ook al is het geen vereiste. Klager is volwassen en hij wil zijn moeder hier niet mee belasten, omdat zij veel heeft meegemaakt en niet goed tegen stress kan. Hierdoor staat klagers traject stil. De gedragsdeskundige wil verdere behandeling niet indiceren.

Het is voor klagers familie (uit de regio Utrecht) geen probleem om naar Eindhoven te reizen en klager vindt het niet erg om voor verlof verder te reizen. Er is sprake van een bijzondere zorgbehoefte die een uitzondering rechtvaardigt op het uitgangspunt van plaatsing dicht bij huis.

 

Standpunt van verweerder

Het is niet mogelijk voor een jeugdige om te verzoeken om overplaatsing naar een GGZ‑instelling. Zo’n verzoek moet vanuit de directeur komen.

Het uitgangspunt is dat een jeugdige die een maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) ondergaat in een JJI wordt geplaatst. Er is geen bijzondere zorgbehoefte die een overplaatsing naar De Catamaran noodzakelijk maakt. Volgens de directeur is klagers (complexe) problematiek niet passend voor behandeling in De Catamaran.

De directeur heeft aangegeven dat er in de JJI Teylingereind voldoende mogelijkheden zijn voor klagers behandeling en dat zijn behandeldoelen in deze inrichting kunnen worden bereikt. Klager heeft een moeizame start gehad, omdat hij onder druk werd gezet door groepsgenoten, maar die situatie is verbeterd. Ook met het behandelteam lijkt er voldoende aansluiting. Een verharding wordt door het behandelteam niet herkend. Sterker nog, in individueel contact lijkt er vaak een wat meer kwetsbare kant van klager naar voren te komen en lukt het hem om te reflecteren op zijn gedrag.

Na het ingaan van de PIJ-maatregel werden zes interventies geïndiceerd. Klager is inmiddels gestart met zijn tweede behandeling. Een overplaatsing zou de voortgang van zijn behandeling en zijn ontwikkeling negatief beïnvloeden. De behandeling verloopt moeizaam, omdat klager geleid wordt door zijn emoties en impulsen waardoor hij oplopende spanningen niet goed kan reguleren. De inzet van de nodige pedagogische interventies vertragen het traject. Klager heeft zich de afgelopen periode veel verzet tegen de behandeling en de regels van de JJI.

Een jeugdige moet zo dicht mogelijk bij zijn gezin worden geplaatst. Dat klager aangeeft dat hij en zijn familie de verdere reisafstand geen probleem vinden, maakt dat niet anders.

Verweerder verwijst naar RSJ 19 januari 2021, R-20/8575/JB.

 

 

3. De beoordeling

Klager verblijft op dit moment in de JJI Teylingereind. Hij wil graag worden overgeplaatst naar de forensische kliniek De Catamaran.

 

Wet- en regelgeving

Uitgangspunt is dat de tenuitvoerlegging van een PIJ-maatregel plaatsvindt in een inrichting of op een afdeling waar behandeling kan plaatsvinden (artikel 12, tweede lid, in verbinding met artikel 8, eerste lid onder e, van de Bjj). Wanneer sprake is van een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap kan verweerder beslissen dat de jeugdige wordt overgebracht naar een accommodatie waar zorg wordt verleend, dus buiten een (R)JJI, om daar zolang als dat noodzakelijk is te worden verpleegd (artikel 12, achtste lid, van de Bjj).

Klager heeft een verzoek gedaan om te worden overgebracht naar De Catamaran. Hoewel artikel 19 van de Bjj niet expliciet de mogelijkheid van verzoek van een jeugdige tot overplaatsing naar een GGZ-instelling lijkt te kennen, brengt een redelijke wetstoepassing met zich mee dat ook een jeugdige zelf een dergelijk verzoek moet kunnen indienen en tegen de afwijzing van het verzoek, of het niet binnen zes weken daarop beslissen, beroep openstaat (RSJ 13 november 2018, R-708).

 

Inhoudelijke beoordeling

De beroepscommissie is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat overbrenging naar De Catamaran om daar te worden verpleegd niet noodzakelijk is. Er is niet gebleken dat bij klager sprake zou zijn van een bijzondere zorgbehoefte die de afwijking van het uitgangspunt dat de tenuitvoerlegging van een PIJ-maatregel in een JJI plaatsvindt rechtvaardigt.

Uit de inlichtingen van de directeur volgt dat er voldoende (passende) behandelmogelijkheden voor klager zijn in de JJI Teylingereind. De behandeling is inmiddels gestart, maar wordt ook vertraagd door de inzet van pedagogische interventies. Het behandelteam geeft aan een positieve ontwikkeling te zien. Overplaatsing zou onwenselijk zijn voor klagers behandeling in de JJI.

Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de bestreden beslissing niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 10 oktober 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, voorzitter, dr. T. Jambroes en dr. J.G. Vinke, leden, bijgestaan door mr. A. Laagland, secretaris.

 

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven