Nummer 24/41067/GA
Betreft [klager]
Datum 17 oktober 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft beklag ingesteld:
-
tegen het verzuim of de weigering om te beslissen op zijn verzoek van 30 juni 2023 om hem in de gelegenheid te stellen om aangifte te doen bij de politie via het re‑integratiecentrum (RIC) (Z1‑2024‑362);
-
tegen de weigering om een kopie van zijn penitentiaire dossier aan hem te verstrekken (Z1‑2024‑363);
-
omdat een medegedetineerde zijn maaltijden steelt en vervangt door veganistische maaltijden (Zl‑2024‑388);
-
omdat een medegedetineerde verboden voorwerpen op cel zou hebben, waar klager geluidsoverlast van ondervindt (Z1‑2024‑390).
De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichtingen (PI) Zwolle heeft op 22 mei 2024 beklag a., b. en c. ongegrond verklaard en klager niet-ontvankelijk verklaard in beklag d. De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.
Klager heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.
De beroepscommissie heeft klager en de directeur van de PI Zwolle (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
2. De beoordeling
Klager heeft verzocht om zijn ingediende stuk van 1 december 2023 van ongeveer twintig pagina’s op te vragen bij de Commissie van Toezicht (CvT). De beroepscommissie constateert dat het gedeelte van klagers ingediende stuk van 1 december 2023 dat ziet op de onderhavige klachten bij het dossier is gevoegd. De beroepscommissie wijst het verzoek daarom af.
Klager heeft in beroep aangevoerd dat zijn ingediende stuk van 1 december 2023 niet is meegenomen in de beoordeling van de beklagrechter en dat de directeur niet tijdig zijn verweerschrift heeft ingediend in beklag. Voor zover klager meent dat de beklagrechter hiermee een procedurefouten heeft gemaakt, merkt de beroepscommissie op dat deze voor de behandeling van het beroep niet relevant zijn, omdat het beklag in beroep opnieuw wordt beoordeeld. De beroepscommissie gaat hieraan daarom voorbij.
Klager heeft in beroep geklaagd over de termijn waarbinnen de beklagrechter uitspraak heeft gedaan. Daarover merkt de beroepscommissie op dat het wenselijk is dat voortvarend op een beklag wordt beslist en dat de wettelijke termijn hiervoor in beginsel vier weken is, maar dat de wet geen gevolgen eraan verbindt als dat niet gebeurt.
Beklag a.
Verzuim of weigering om te beslissen
Klager heeft op 30 juni 2023 een verzoek gedaan bij het RIC om hem in contact te brengen met de politie voor het doen van aangifte. Een medegedetineerde zou doodsbedreigingen richting klager hebben geuit. Op 16 juli 2023 klaagt klager over – zo begrijpt de beroepscommissie – het verzuim of de weigering om te beslissen op zijn verzoek. De directeur geeft aan dat klager op 18 juli 2023 contact heeft gehad met het RIC over de mogelijkheid om aangifte te doen. Vervolgens heeft klager op 10 augustus 2023 wederom contact gehad met het RIC over de mogelijkheid om aangifte te doen. Klager is daarna op 19 september 2023 in de gelegenheid gesteld om aangifte te doen, waarna hij op 4 oktober 2023 aangifte heeft gedaan. Gelet hierop begrijpt de beroepscommissie dat op 18 juli 2023 is beslist op klagers verzoek. Deze beslissing houdt in dat klager op die dag bij het RIC mocht komen (en is geweest) om te spreken over de mogelijkheid om aangifte te doen, maar – zo begrijpt de beroepscommissie – dat hij niet direct in de gelegenheid is gesteld om te bellen met de politie.
Op grond van artikel 60, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) kan worden geklaagd over een verzuim of weigering om te beslissen. Het nemen van een beslissing wordt geacht te zijn verzuimd of geweigerd, indien niet binnen de wettelijke of, bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn een beslissing is genomen.
Voor het beslissen op een verzoek om in de gelegenheid te worden gesteld aangifte te doen bestaat geen wettelijke termijn. In zo’n geval kan een gedetineerde een beklag indienen tegen een verzuim of weigering om te beslissen vanaf in beginsel veertien dagen na het doen van een verzoek (RSJ 1 september 2023, 23/31635/GA). Nu klager op 30 juni 2023 een verzoek heeft gedaan en op 16 juli 2023 zijn beklag heeft ingesteld, zijn er veertien dagen verstreken sinds klagers verzoek. Gelet hierop is klager terecht ontvangen in zijn beklag.
Op 18 juli 2023 is beslist op klagers verzoek. Naar het oordeel van de beroepscommissie heeft de directeur daarmee binnen een redelijke termijn beslist. Deze beslissing op klagers verzoek is genomen na het indienen van het klaagschrift en vóór de uitspraak van de beklagrechter. Klager is het ook niet eens met deze beslissing. De beroepscommissie zal eveneens deze beslissing beoordelen (zie hierover RSJ 26 augustus 2025, 24/40657/GA).
De beslissing op klagers verzoek
Op grond van artikel 39, vierde lid, van de Pbw wordt de gedetineerde in staat gesteld met de in artikel 37, eerste lid, genoemde personen en instanties telefonisch contact te hebben, indien hiervoor de noodzaak en de gelegenheid bestaat. De beroepscommissie heeft al eerder overwogen dat de politie is aan te merken als een justitiële autoriteit in de zin van artikel 37, eerste lid, onder d, van de Pbw (zie bijvoorbeeld RSJ 14 april 2023, 22/27774/GA).
Hoewel klager heeft aangevoerd dat hij uitsluitend via het RIC kan bellen naar een 0900-nummer met de politie, komt uit de inlichtingen van de directeur naar voren dat klager volledig zelfstandig aangifte kan doen dan wel met behulp van zijn advocaat.
Naar het oordeel van de beroepscommissie is het voldoende aannemelijk geworden dat klager de mogelijkheid heeft om zelfstandig (of via zijn advocaat) aangifte te doen (vergelijk RSJ 9 september 2013, 13/1778/GA). Het is voor klager ten behoeve van zijn aangifte van belang om (zij het via zijn advocaat) in contact te komen met de politie, maar in dit geval is de noodzaak van het telefonisch contact met de politie via het RIC niet aannemelijk geworden. De beslissing van de directeur kan daarom niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt.
Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie het beroep in zoverre ongegrond verklaren en de uitspraak van de beklagrechter in zoverre bevestigen met wijziging van de gronden.
Beklag b.
De directeur geeft aan dat aan klager een kopie van zijn penitentiaire dossier is verstrekt. De beroepscommissie heeft geen reden om hieraan te twijfelen. Klagers verzoek is dan ook toegewezen. Hoewel klager in beroep stelt slechts tien pagina’s van de vierhonderd pagina’s te hebben ontvangen, geeft de directeur zowel in beklag als beroep aan dat aan klager het penitentiair dossier is verstrekt. Naar het oordeel van de beroepscommissie biedt het dossier geen aanknopingspunten voor klagers stelling dat hij desgevraagd niet een kopie van zijn volledige penitentiaire dossier heeft ontvangen. Daarbij komt dat klager ook niet duidelijk heeft gemaakt welke stukken hij zou missen.
Er is dan ook geen sprake van een weigering om een kopie van het penitentiaire dossier aan klager te verstrekken. Er is daarom evenmin sprake van een beslissing als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Pbw. Gelet hierop zal de beroepscommissie de uitspraak van de beklagrechter in zoverre vernietigen en klager alsnog niet-ontvankelijk verklaren in beklag b.
Beklag c.
Dit beklag ziet niet op een beslissing in de zin van artikel 60, eerste lid, van de Pbw waartegen beklag openstaat. Daarom zal de beroepscommissie de uitspraak van de beklagrechter in zoverre vernietigen en klager alsnog niet-ontvankelijk verklaren in beklag c.
Beklag d.
Op basis van de stukken is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagrechter klager terecht niet-ontvankelijk in beklag d. heeft verklaard. Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard. De beroepscommissie ziet in dit geval geen aanleiding om de overwegingen van de beklagrechter aan te vullen of te wijzigen.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag a. en d. ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagrechter, inzake beklag a. met wijziging van de gronden.
De beroepscommissie vernietigt de uitspraak van de beklagrechter inzake beklag b. en c. en verklaart klager alsnog niet-ontvankelijk in deze klachten.
Deze uitspraak is op 17 oktober 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. R.A.E. van Noort, voorzitter, mr. A.B. Baumgarten en mr. L.C.P. Goossens, leden, bijgestaan door mr. S.J.S. Uiterweerd, secretaris.
secretaris voorzitter