Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 24/41097/GA, 31 oktober 2025, beroep
Uitspraakdatum:31-10-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer 24/41097/GA

Betreft  [klager]

Datum  31 oktober 2025

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld:

a.         omdat op 19 september 2023 een personeelslid meeluisterde tijdens een telefoongesprek met de politie bij het re-integratiecentrum (RIC) (Zl 2023 565);

b.         omdat op 4 oktober 2023 een personeelslid meeluisterde tijdens een telefoongesprek met de politie bij het RIC (Zl 2023 572);

c.         tegen het verzuim of de weigering om te beslissen op zijn verzoek van – zo begrijpt de beroepscommissie – 30 oktober 2023 om hem in contact te brengen met de politie (Zl 2023-587).

De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichtingen (PI) Zwolle heeft op 22 mei 2024 klager niet ontvankelijk verklaard in beklag a. en b. en beklag c. ongegrond verklaard. De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klager heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft klager en de directeur van de PI Zwolle (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De beoordeling

Klager heeft verzocht om zijn ingediende stuk van 1 december 2023 van ongeveer twintig pagina’s op te vragen bij de Commissie van Toezicht (CvT). De beroepscommissie constateert dat het gedeelte van klagers ingediende stuk van 1 december 2023 dat ziet op de onderhavige klachten bij het dossier is gevoegd. De beroepscommissie wijst het verzoek daarom af.

Klager heeft in beroep aangevoerd dat zijn ingediende stuk van 1 december 2023 niet is meegenomen in de beoordeling van de beklagrechter. Voor zover klager meent dat de beklagrechter hiermee een procedurefout heeft gemaakt, merkt de beroepscommissie op dat deze voor de behandeling van het beroep niet relevant zijn, omdat het beklag in beroep opnieuw wordt beoordeeld. De beroepscommissie gaat hieraan daarom voorbij.

Klager heeft in beroep geklaagd over de termijn waarbinnen de beklagrechter uitspraak heeft gedaan. Daarover merkt de beroepscommissie op dat het wenselijk is dat voortvarend op een beklag wordt beslist en dat de wettelijke termijn hiervoor in beginsel vier weken is, maar dat de wet geen gevolgen eraan verbindt als dat niet gebeurt.

Beklag a. en b.

Tijdige indiening van het beklag?

Beklag a. dateert van 24 september 2023 en beklag b. dateert van 4 oktober 2023. De CvT heeft beide klaagschriften ontvangen op 1 november 2023. Dit valt buiten de termijn van zeven dagen voor het instellen van beklag (artikel 61, vijfde lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw)).

Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Pbw kan de indiening van een klaagschrift geschieden door tussenkomst van de directeur van de inrichting waar de gedetineerde verblijft. De directeur draagt in dat geval ervoor zorg dat het klaagschrift of, indien het klaagschrift zich in een envelop bevindt, de envelop van een dagtekening is voorzien, die geldt als dag van indiening.

Klager stelt onbestreden dat de klaagschriften bij de directeur zijn blijven liggen. Uit de stukken volgt dat de directeur de klaagschriften niet heeft gedagtekend. Bij de stukken bevindt zich geen scan van de envelop(pen) waarin de klaagschriften zijn verstuurd, waarop een dagtekening kan hebben gestaan. De CvT heeft deze envelop(pen) desgevraagd niet kunnen overleggen. Nu er geen dagtekening bekend is, kan niet worden vastgesteld of klager het beklag tijdig heeft ingesteld. Gelet op deze omstandigheden dient klager naar het oordeel van de beroepscommissie in dit geval het voordeel van de twijfel te krijgen. Bij deze stand van zaken houdt de beroepscommissie het erop dat klager tijdig beklag heeft ingesteld.

Voldoende belang bij inhoudelijke beoordeling van het beklag?

Klager meent dat zijn recht om vertrouwelijk te kunnen telefoneren is geschonden doordat het personeel op 19 september 2023 (beklag a.) en op 4 oktober 2023 (beklag b.) meeluisterde tijdens zijn telefoongesprekken met de politie bij het RIC. Hiertoe is door of namens de directeur niet uitdrukkelijk beslist. Er is in die zin geen sprake van een beslissing van de directeur waartegen beklag kan worden ingesteld op grond van artikel 60 van de Pbw.

De klachten zien op twee voorvallen. Het gaat daarom niet over structureel tekortschieten in de verzorgende taken van de directeur. Desondanks gaat het wel om een belangrijke (vermeende) tekortkoming, namelijk het vertrouwelijk kunnen telefoneren met een geprivilegieerde persoon of instantie (artikel 39, vierde lid, van de Pbw), waartegen ook bij één incident moet kunnen worden geklaagd (vergelijk RSJ 27 november 2023, 22/29339/GA en RSJ 21 mei 2024, 23/31610/GA en 23/31673/GA). Daarom heeft klager voldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van beklag a. en b. en kan hij worden ontvangen in deze klachten.

De beroepscommissie zal daarom de uitspraak van de beklagrechter in zoverre vernietigen en klager alsnog ontvankelijk verklaren in beklag a. en b. De beroepscommissie zal deze klachten als eerste en enige instantie inhoudelijk beoordelen.

Inhoudelijke beoordeling

Op grond van artikel 39, vierde lid, van de Pbw wordt de gedetineerde in staat gesteld met de in artikel 37, eerste lid, genoemde personen en instanties telefonisch contact te hebben, indien hiervoor de noodzaak en de gelegenheid bestaat. Op deze gesprekken wordt geen ander toezicht uitgeoefend dan noodzakelijk is om de identiteit van de personen of instantie met wie de gedetineerde een telefoongesprek voert of wenst te voeren vast te stellen.

De directeur dient volgens vaste jurisprudentie van de beroepscommissie ervoor te zorgen dat gedetineerden van dit recht om te telefoneren gebruik kunnen maken, op een wijze waarbij hun recht op privacy – zoveel als redelijkerwijs mogelijk – wordt gewaarborgd. De beroepscommissie heeft reeds overwogen dat de politie is aan te merken als een justitiële autoriteit in de zin van artikel 37, eerste lid, onder d, van de Pbw (zie bijvoorbeeld RSJ 14 april 2023, 22/27774/GA).

Klager geeft aan op 19 september 2023 en 4 oktober 2023 met de politie te hebben gebeld bij het RIC, terwijl het personeel meeluisterde. Ten aanzien van beklag a. bevestigt de directeur dat het personeel aanwezig was tijdens het telefoongesprek. Het telefoongesprek heeft namelijk op de luidspreker plaatsgevonden, maar de directeur stelt dat het enkel om een eerste kennismaking met de politie ging over klager zijn klachten. Ten aanzien van beklag b. beaamt de directeur dat het personeelslid bij het beeldbellen aanwezig was, waarbij volgens de directeur de aangiftes globaal zijn uitgelegd. Vervolgens zouden de aangiftes door middel van twee privé-afspraken met de politie in de spreekkamer zijn afgehandeld zonder het bijzijn van het personeel.

De beroepscommissie overweegt dat het toezicht door de personeelsleden tijdens de telefoongesprekken verder ging dan enkel identiteitsvaststelling, aangezien het personeel gedurende de gehele telefoongesprekken aanwezig was. Naar het oordeel van de beroepscommissie heeft klager hierdoor niet vertrouwelijk met de politie kunnen bellen. Daarom is de beroepscommissie van oordeel dat de directeur in belangrijke mate is tekortgeschoten in zijn verzorgende taken. Dat het personeel niet actief zou hebben geluisterd, maakt dit niet anders.

Gelet hierop zal de beroepscommissie de klachten gegrond verklaren. De beroepscommissie ziet aanleiding om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen. De beroepscommissie zal deze vaststellen op €15,-.

Beklag c.

Klager heeft op 14 november 2023 beklag ingesteld tegen het verzuim of de weigering om te beslissen op zijn verzoek om hem in contact te brengen met de politie bij het RIC.

Op grond van artikel 60, tweede lid, van de Pbw, kan worden geklaagd over een verzuim of weigering om te beslissen. Het nemen van een beslissing wordt geacht te zijn verzuimd of geweigerd, indien niet binnen de wettelijke of, bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn een beslissing is genomen.

Voor het beslissen op een verzoek om contact met de politie bestaat geen wettelijke termijn. In zo’n geval kan een gedetineerde een beklag indienen tegen een verzuim of weigering om te beslissen vanaf in beginsel veertien dagen na het doen van een verzoek (RSJ 1 september 2023, 23/31635/GA). Klager heeft op – zo begrijpt de beroepscommissie – 30 oktober 2023 het sprekersbriefje ingeleverd. Daarmee waren op 14 november 2023 (de datum van indienen van het klaagschrift) vijftien dagen versteken sinds klagers verzoek. De beklagrechter heeft klager dan ook terecht ontvangen in zijn beklag en de beroepscommissie zal oordelen of de directeur binnen een redelijke termijn heeft beslist.

De beroepscommissie is vanwege de beroepszaak met kenmerk 24/41067/GA bekend met het feit dat klager voorafgaand aan dit verzoek op 4 oktober 2023 al via het RIC in contact is gebracht met de politie ten behoeve van een aangifte. Klager heeft vervolgens op 30 oktober 2023 nogmaals een verzoek gedaan om in contact te worden gebracht met de politie. De directeur heeft op 22 november 2023 aangegeven dat klagers verzoek op 3 november 2023 in goede orde is ontvangen door het RIC en dat ze hem zo spoedig mogelijk oproepen om een afspraak met de politie te maken. De directeur heeft uiteindelijk dus na drie weken en twee dagen beslist. Naar het oordeel van de beroepscommissie kan deze termijn, mede gelet op drukte, niet als onredelijk worden aangemerkt. De directeur heeft daarom niet verzuimd of geweigerd om op klagers verzoek te beslissen.

Gelet op het voorgaande is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagrechter beklag c. terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag a. en b. gegrond, vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagrechter en verklaart deze klachten alsnog gegrond. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €15,-.

De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag en c. ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagrechter met wijziging van de gronden.

 

Deze uitspraak is op 31 oktober 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. R.A.E. van Noort, voorzitter, mr. A.B. Baumgarten en mr. L.C.P. Goossens, leden, bijgestaan door mr. S.J.S. Uiterweerd, secretaris.

 

secretaris         voorzitter

Naar boven