Nummer 25/51660/SGA
Betreft [verzoeker]
Datum 6 oktober 2025
Uitspraak van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ op het verzoek van
[verzoeker] (hierna: verzoeker)
1. De procedure
De directeur van het Pieter Baan Centrum (PBC) te Almere (hierna: de directeur) heeft op
26 september 2025 op grond van artikel 46d, aanhef en onder a, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) beslist tot voortzetting van de eerder op grond van artikel 16b, aanhef en onder a, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) aan verzoeker opgelegde verplichting tot het ondergaan van een onvrijwillige geneeskundige behandeling (hierna: a-dwangbehandeling), voor de duur van drie maanden.
Verzoekers raadsman, mr. A.R. Ytsma, vraagt namens verzoeker om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging daarvan.
De voorzitter heeft kennisgenomen van de reactie van de directeur op het schorsingsverzoek en van het klaagschrift.
2. De beoordeling
Ontvankelijkheid
Door de directeur is gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat hij zijn schorsingsverzoek te laat heeft ingediend. Uit de stukken komt naar voren dat de directeur op 26 september 2025 de bestreden beslissing heeft genomen en aan verzoeker heeft medegedeeld. Nu verzoeker op 2 oktober 2025 en daarmee binnen zeven dagen na de beslissing een klaagschrift en een schorsingsverzoek heeft ingediend, is de voorzitter van oordeel dat verzoeker tijdig het schorsingsverzoek heeft ingediend en kan worden ontvangen in zijn verzoek.
Inhoudelijk
Uit de stukken blijkt dat de toediening van de medicatie op grond van de bestreden beslissing inmiddels op 3 oktober 2025 heeft plaatsgevonden. Het schorsingsverzoek kan daarom geen betrekking meer hebben op de eerste toediening van de medicatie, maar enkel op de verdere tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
De voorzitter stelt voorop dat bij een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De zaak kan dus niet ten gronde worden onderzocht. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing om bij verzoeker de toegepaste a-dwangbehandeling voort te zetten in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat deze zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Daarover overweegt de voorzitter als volgt.
Op grond van artikel 46e, in verbinding met artikel 46d, aanhef en onder a, van de Pbw kan de directeur beslissen tot het toepassen van een a-dwangbehandeling, indien aannemelijk is dat het gevaar dat de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap de gedetineerde doet veroorzaken, zonder die behandeling niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen.
In artikel 46e, vijfde lid, van de Pbw is onder meer bepaald dat indien voortzetting van de geneeskundige behandeling overeenkomstig artikel 46d, onder a, van de Pbw nodig is, de gedetineerde onverwijld een afschrift van de schriftelijke beslissing van de directeur ontvangt. De directeur dient dan in zijn beslissing aan te geven waarom van een behandeling alsnog het beoogde effect wordt verwacht.
Namens verzoeker wordt vooropgesteld dat zijn raadsman niet in kennis is gesteld door het PBC van het voornemen tot toepassing van a-dwangbehandeling en de redenen daarvan. Het is bovendien kwalijk dat het PBC de beslissing op het schorsingsverzoek niet heeft willen afwachten en afgelopen vrijdag het depot heeft toegediend bij verzoeker.
Verzoeker is in het PBC geplaatst op verzoek van de rechtbank, met als doel een klinische observatie te realiseren. De achterliggende gedachte van deze plaatsing was het verkrijgen van een solide en betrouwbare diagnose, aangezien er door de jaren heen uiteenlopende diagnoses zijn gesteld. Het toedienen van medicatie op dit moment bemoeilijkt het vaststellen van een eventuele psychotische kwetsbaarheid. Een “schone” observatie, eventueel met een verlengde observatieduur, is in dit kader essentieel. Een zorgvuldige en onbeïnvloede observatie is in het belang van zowel verzoeker als de rechtsgang.
Uit de stukken, waaronder verzoekers behandelingsplan en de verklaring van de behandelend psychiater, komt naar voren dat verzoeker is gediagnosticeerd met een antisociale en paranoïde persoonlijkheidsstoornis, waarbij onder stress de achterdocht als kortdurende psychotische stoornis wordt geduid. In zijn voorgeschiedenis zijn eerder ook narcistische trekken gezien. Daarnaast zijn er kenmerken van een autismespectrumstoornis gezien en is sprake geweest van een stoornis in het gebruik van cannabis en cocaïne welke (in huidige omstandigheden) in remissie zijn. Verzoeker is tijdelijk opgenomen in het PBC voor een observatie. Hij verblijft doorgaans op de LFPZ-afdeling van FPC Pompestichting. Bij verzoeker is sprake van een patroon waarbij hij zonder medicatie een toename van achterdocht en agressie laat zien die enkel met inzet van een antipsychoticum te doorbreken is. De buitenproportionele achterdocht in combinatie met spanningen hebben eerder geleid tot ernstige verbale en fysieke agressie. Ook is verzoeker in het verleden meermaals in honger- en dorststaking gegaan. De huidige a-dwangbehandeling is in juni 2024 gestart. Bij toepassing van antipsychotische medicatie neemt de achterdocht en agressie af, is verzoeker zelden bedreigend geweest, is zijn denken minder rigide en georganiseerder, zijn er geen honger- en dorststakingen meer geweest, kan hij op zijn kamer verblijven en was hij weer begonnen met werken. Vrijwillige inname van de medicatie is echter niet mogelijk, omdat verzoeker zich negatief uit over de medicatie en de noodzaak ervan ook niet ziet. De noodzaak tot voortzetting van de a-dwangbehandeling staat overigens het doen van diagnostisch onderzoek in het PBC niet in de weg, aldus de directeur.
Gelet op het voorgaande is naar het voorlopig oordeel van de voorzitter voldoende aannemelijk geworden dat de noodzaak tot voortzetting van de a-dwangbehandeling nog steeds aanwezig is. Daarbij voldoet de beslissing om bij verzoeker de toegepaste a-dwangbehandeling voort te zetten naar het voorlopig oordeel van de voorzitter ook aan de eisen van proportionaliteit en doelmatigheid. Anders dan door de raadsman is aangevoerd, stelt de wet met betrekking tot de verlengingsbeslissing van de a-dwangbehandeling niet de eis van het nemen (en mededelen) van een voorgenomen beslissing, zoals bij de startbeslissing van de
a-dwangbehandeling wel het geval is.
Nu verzoeker nog steeds weigert vrijwillig antipsychotica in te nemen, terwijl het gevaar dat zijn stoornis hem doet veroorzaken enkel kan worden weggenomen door middel van de inname van antipsychotica, voldoet de bestreden beslissing naar het voorlopig oordeel van de voorzitter eveneens aan het subsidiariteitsbeginsel. De bestreden beslissing kan dan ook niet worden aangemerkt als zodanig onredelijk of onbillijk dat er een spoedeisend belang is om de (verdere) tenuitvoerlegging daarvan te schorsen. De voorzitter zal het verzoek daarom afwijzen.
De voorzitter overweegt tot slot dat in de wet niets is geregeld over het toepassen van een
a-dwangbehandeling na overplaatsing naar een andere inrichting. Eerder heeft de beroepscommissie in RSJ 6 februari 2024, 23/35070/GA en 23/35984/GA, geoordeeld dat de directeur na een overplaatsing mag beslissen tot het verlengen van de eerder genomen beslissing, nu een verlengingsbeslissing met voldoende waarborgen is omkleed om een
a-dwangbehandeling na een overplaatsing te laten voortduren. In onderhavige zaak is de bestreden beslissing genomen op grond van de Pbw, terwijl de voorgaande beslissing tot voortzetting van de a-dwangbehandeling is genomen op grond van de Bvt, omdat verzoeker toen op de LFPZ-afdeling in FPC Pompestichting verbleef. Ook hier schrijft de wet niets over voor. Het is echter niet aan de voorzitter om daar thans inhoudelijk op in te gaan. Het is aan de beklagcommissie om daarover te beslissen.
3. De uitspraak
De voorzitter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is op 6 oktober 2025 gedaan door mr. A.M.G. Smit, voorzitter, bijgestaan door mr. C.K. van Dijk, secretaris.
secretaris voorzitter