Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 24/41099/GA, 17 oktober 2025, beroep
Uitspraakdatum:17-10-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          24/41099/GA

Betreft [klager]

Datum 17 oktober 2025

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen het verzuim of de weigering om te beslissen op zijn verzoek om hem inzage te verstrekken in zijn penitentiair dossier en inrichtingsdossier.

De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichtingen (PI) Zwolle heeft op 22 mei 2024 klager niet‑ontvankelijk verklaard in zijn beklag (Z1-2023-586). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klager heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft klager en de directeur van de PI Zwolle (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De beoordeling

Klager heeft verzocht om zijn ingediende stuk van 1 december 2023 van ongeveer twintig pagina’s op te vragen bij de Commissie van Toezicht. De beroepscommissie constateert dat het gedeelte van klagers ingediende stuk van 1 december 2023 dat ziet op de onderhavige klacht bij het dossier is gevoegd. De beroepscommissie wijst het verzoek daarom af.

Klager heeft in beroep aangevoerd dat zijn ingediende stuk van 1 december 2023 niet is meegenomen in de beoordeling van de beklagrechter. Voor zover klager meent dat de beklagrechter hiermee een procedurefout heeft gemaakt, merkt de beroepscommissie op dat deze voor de behandeling van het beroep niet relevant zijn, omdat het beklag in beroep opnieuw wordt beoordeeld. De beroepscommissie gaat hieraan daarom voorbij.

Klager heeft in beroep geklaagd over de termijn waarbinnen de beklagrechter uitspraak heeft gedaan. Daarover merkt de beroepscommissie op dat het wenselijk is dat voortvarend op een beklag wordt beslist en dat de wettelijke termijn hiervoor in beginsel vier weken is, maar dat de wet geen gevolgen eraan verbindt als dat niet gebeurt.

 

Verzuim of weigering om te beslissen op een verzoek om inzage

Klager heeft op – zo begrijpt de beroepscommissie – 30 oktober 2023 een verzoek om inzage in zijn penitentiair dossier en inrichtingsdossier gedaan. Op 14 november 2023 klaagt hij over het verzuim of de weigering om te beslissen op zijn verzoek. De directeur geeft aan dat hij niet heeft verzuimd om te beslissen op het verzoek, maar dat in artikel 43, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) staat voorgeschreven dat de termijn om te reageren op een dergelijk verzoek vier weken bedraagt. Het verzoek tot inzage lag daarom nog ter beoordeling bij de directeur. Volgens klager heeft de directeur uiteindelijk op 20 november 2023 beslist.

Op grond van artikel 60, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet kan ook worden geklaagd over een verzuim of over een weigering om te beslissen. Het nemen van een beslissing wordt geacht te zijn verzuimd of geweigerd, indien niet binnen de wettelijk of, bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn een beslissing is genomen.

De beroepscommissie constateert dat – anders dan zij heeft overwogen in RSJ 14 april 2023, 22/26537/GA – ten aanzien van de beantwoording van een verzoek om inzage in een penitentiair dossier en het inrichtingsdossier wel een wettelijke termijn bestaat. In artikel 51b, tweede lid, van de Wjsg is namelijk het recht op inzage opgenomen, waarin is bepaald dat de Minister van Veiligheid en Justitie binnen vier weken uitsluitsel dient te geven op een schriftelijk verzoek om inzage van tenuitvoerleggingsgegevens. Aangezien in de penitentiaire inrichtingen de directeur de beheerstaak en -bevoegdheid heeft over inzageverzoeken, geldt deze wettelijke termijn eveneens voor de directeur (op grond van artikel 51a, tweede lid, van de Wjsg).

Gelet op het voorgaande moest de directeur uiterlijk op 27 november 2023 een beslissing nemen op klagers verzoek. Daarmee was de wettelijke termijn om te beslissen op 14 november 2023 (het moment van het instellen van beklag) nog niet verstreken. Er was dus nog geen sprake van een verzuim of weigering om te beslissen en daarmee ook niet van een beklagwaardige beslissing.

Daarom is beroepscommissie van oordeel dat de beklagrechter klager terecht niet‑ontvankelijk in zijn beklag heeft verklaard. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter met aanvulling van de gronden.

 

Deze uitspraak is op 17 oktober 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. R.A.E. van Noort, voorzitter, mr. A.B. Baumgarten en mr. L.C.P. Goossens, leden, bijgestaan door mr. S.J.S. Uiterweerd, secretaris.

 

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven