Nummer 25/51355/SGA
Betreft verzoeker
Datum 24 september 2025
Uitspraak van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ op het verzoek van
verzoeker (hierna: verzoeker)
1. De procedure
De directeur van de locatie Norgerhaven te Veenhuizen (hierna: de directeur) heeft aan verzoeker een disciplinaire straf opgelegd van veertien dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, zonder televisie, vanwege het versturen van een contactverzoek aan een personeelslid via social media, ingaande op 18 september 2025 om 13:00 uur en eindigend op 2 oktober 2025 om 13:00 uur.
Verzoekers raadsvrouw, mr. M.W. Bouwman, vraagt namens verzoeker om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging daarvan.
De voorzitter heeft kennisgenomen van de reactie van de directeur op het schorsingsverzoek en van de mededeling van de secretaris van de beklagcommissie dat het klaagschrift is ingeschreven onder NH-2025-357.
2. De beoordeling
De voorzitter stelt voorop dat bij een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De zaak kan dus niet ten gronde worden onderzocht. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing waartegen beklag is ingesteld in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat deze zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval.
Uit de stukken komt naar voren dat een personeelslid via Snapchat een contactverzoek heeft gekregen van verzoeker. De directeur acht het voldoende aannemelijk dat verzoeker het contactverzoek zelf heeft verstuurd, waarna aan hem de besteden disciplinaire straf is opgelegd.
De voorzitter overweegt als volgt.
Op grond van artikel 51, vijfde lid, van de Penitentiaire beginselenwet is voor het opleggen van een disciplinaire straf vereist dat de gedetineerde verantwoordelijk kan worden gehouden voor het begaan van het feit waarvoor hij disciplinair wordt gestraft. Naar het oordeel van de voorzitter is in dit geval onvoldoende aannemelijk geworden dat verzoeker verantwoordelijk kan worden gehouden voor het versturen van een contactverzoek aan een personeelslid via social media. De directeur heeft daarbij onvoldoende gemotiveerd waarop wordt gebaseerd dat verzoeker, en niet een ander, het contactverzoek heeft verstuurd. Het is immers mogelijk dat iemand zich op social media voordoet als een ander. Ook zijn er op basis van de stukken naar het oordeel van de voorzitter geen aanknopingspunten dat verzoeker beschikking had over een telefoon, dan wel op een andere wijze toegang tot het internet, om het contactverzoek te versturen. Gelet hierop is de bestreden beslissing naar het oordeel van de voorzitter zodanig onredelijk en onbillijk dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging daarvan te schorsen. De voorzitter zal het verzoek daarom toewijzen en de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing schorsen met onmiddellijke ingang tot het moment waarop de beklagcommissie op het onderliggende beklag heeft beslist.
3. De uitspraak
De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing met onmiddellijke ingang tot het moment waarop de beklagcommissie op het onderliggende beklag heeft beslist.
Deze uitspraak is op 24 september 2025 gedaan door mr. A.M.G. Smit, voorzitter, bijgestaan door mr. P.H. van Roosmalen, secretaris.
secretaris voorzitter